Les 4: herhalen t/m onbep. vnw., nakijken opdr. 3 en 4, uitl. voegwoord en telwoord

- Herhalen theorie vorige lessen

- Nakijken opdr. 3 en 4

- Uitleg voegwoord en telwoord

- Huiswerk maken


1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

- Herhalen theorie vorige lessen

- Nakijken opdr. 3 en 4

- Uitleg voegwoord en telwoord

- Huiswerk maken


Slide 1 - Slide

Lesdoelen

SE 1 (woordsoortbenoeming):

- Je weet wat er van je wordt verwacht op deel 2 van SE1.

- Je bepaalt jouw voorkennis wat betreft woordsoortbenoeming.

- Je herhaalt de volgende woordsoorten:

1 Lidwoord (lw)

2 Zelfstandig naamwoord (znw)

3 Bijvoeglijk naamwoord (bnw)

4 Werkwoord (ww): zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord

5 Voornaamwoorden: persoonlijk, bezittelijk, aanwijzend, vragend, betrekkelijk en onbepaald voornaamwoord

6 Voorzetsel (vz)]

7 Voegwoord (voegw.)

8 Telwoord (telw.)

Slide 2 - Slide

Theorie herhalen
  • Lidwoord:
  • Zelfstandig naamwoord:
  • Bijvoeglijk naamwoord:
  • Werkwoord:
                 - Zelfstandig werkwoord:
                 - Hulpwerkwoord:
  • Persoonlijk voornaamwoord:
  • Bezittelijk voornaamwoord:
  • Vragend voornaamwoord:
  • Aanwijzend voornaamwoord:

Slide 3 - Slide

Theorie herhalen
  • Betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw.)
  • Onbepaald voornaamwoord (onbep. vnw.)
  • Voorzetsel (vz)


Slide 4 - Slide

Nakijken opdr. 3
  • 1 Het (= onbep. vnw.) ,  
  • 2 Het (= onbep. vnw.) 2x 
  • 3 Die (1e = aanw.vnw. 2e = betr. vnw.) 
  • 4 Het (=onbep. Vnw.), dat = aanw.vnw., ze = pers.vnw., haar = bez.vnw. 
  • 5 Dat (1e = aanw.vnw., 2e = btr. Vnw.) 
  • 6 Het (1e = onbep. Vnw.) 
  • 7 Die (= betr. vnw) 
  • 8 Die = aanw.vnw., ik = pers.vnw. Met wie (= betr. vnw.);  
  • 9 Ik = pers.vnw., waarin = betr. vnw. 

Slide 5 - Slide

Nakijken opdr. 4
  • 1 Bij, naar 
  • 2 Op, met, naar, om 
  • 3 Tijdens, tegen 
  • 4 Over, van, bij 
  • 5 Tot, naar, op 

Slide 6 - Slide

Uitleg voegwoord (voegw.)
Een voegwoord (voegw.):
  • Plakt twee zinnen aan elkaar 
  • Staat soms ook aan het begin van een zin of middenin.
  • Je ziet vaak of twee zinnen aan elkaar geplakt zijn door een komma (of de woorden ‘en’ en ‘of’) 
  • Woorden als: en-of-terwijl-want-omdat-tenzij-toen-aangezien-voordat-mits (enz.) 

De jongens lopen over straat en zij zijn te laat. 
Terwijl de jongens over straat lopen, zien zij een
hond. 

Slide 7 - Slide

Oefenen voegwoord en voorz.
Noteer uit onderstaande zinnen de voorzetsels (vz) en
voegwoorden (vw). 

  • 1 Valerie liep langs de vijver en zag een kikker op een blad springen. 
  • 2 Terwijl ze daarnaar keek, viel haar tasje in het water. 
  • 3 Ze probeert het tasje nog uit de sloot te vissen, maar dat lukte niet. 
  • 4 Gelukkig kwam er tijdens haar vispoging een man aanlopen en hij hielp haar verder. 

Slide 8 - Slide

Oefenen voegwoord en voorz.
Noteer uit onderstaande zinnen de voorzetsels (vz) en
voegwoorden (vw). 

  • 1 Valerie liep langs de vijver en zag een kikker op een blad springen. 
  • 2 Terwijl ze daarnaar keek, viel haar tasje in het water. 
  • 3 Ze probeert het tasje nog uit de sloot te vissen, maar dat lukte niet. 
  • 4 Gelukkig kwam er tijdens haar vispoging een man aanlopen en hij hielp haar verder. 

Slide 9 - Slide

Uitleg telwoord (telw.)
Een telwoord (telw..) kun je verdelen in twee groepen:
1 Hoofdtelwoord = geeft een hoeveelheid aan 
- Bepaald: je weet het precieze aantal (zes, dertien) 
- Onbepaald: je weet niet precies hoeveel (weinig, veel) 

2 Rangtelwoord = geeft een plaats in een rij aan 
- Bepaald: je weet het precieze aantal (zesde, dertiende, eerste) 
- Onbepaald: je weet niet precies hoeveel (hoeveelste, middelste, laatste)


Slide 10 - Slide

Oefenen telwoord
Noteer uit onderstaande zinnen de telwoorden:
- Hoofdtelwoord (bepaald en onbepaald)
- Rangtelwoord (bepaald en onbepaald)

1 Ik ben vandaag voor de derde keer naar Hoefslag 10 gelopen.
2 Wat heb jij veel gebak gegeten!
3 Helaas is Nederland laatste geworden op het EK.
4 Voor de hoeveelste keer moet ik dat nog zeggen!

Slide 11 - Slide

Antwoorden oefening telw.
Noteer uit onderstaande zinnen de telwoorden:
- Hoofdtelwoord (bepaald en onbepaald)
- Rangtelwoord (bepaald en onbepaald)

  • 1 Derde = rangtelwoord (bepaald), 10 = hoofdtelwoord (bepaald)  
  • 2 Veel = hoofdtelwoord (onbepaald) 
  • 3 Laatste = rangtelwoord (onbepaald) 
  • 4 Hoeveelste = rangtelwoord (onbepaald) 

Slide 12 - Slide

Huiswerk
Maken opdr. 3, 4, 5 en 6 (bij 6 alleen het telwoord)
Leer alle woordsoorten t/m telwoord

Bij opdr. 3 kies je uit:
- pers. vnw.
- bez. vnw.
- aanw. vnw.
- vr. vnw.
- betr. vnw.
- onbep. vnw.

Slide 13 - Slide