4V 2122 week 2 pronom personnel

4V week 2-les 2
  • Grammatica: le pronom personnel
1 / 17
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

4V week 2-les 2
  • Grammatica: le pronom personnel

Slide 1 - Slide

Pronom personnel: 
Door welke persoonlijke vnw kan je een lijdend of meew vw vervangen?

Slide 2 - Mind map

persoonlijk vnw als lijdend en meewerkend voorwerp
Stappenplan: 
1.Wat?
2. Waar?
3. Ontkenning

Slide 3 - Slide

1.Wat?
Je vervangt een zelfst nw door een pers.vnw: is het lijdend of meew vw?
Voor het zelfst nw staat géén voorzetsel- het is een lijdend vw.
                  je vois l'homme 

Pas op: een lijd vw is niet altijd hetzelfde in het Ned en Frans:
      ik kijk naar de tv               - je regarde la télé
      hij luistert naar de radio - il écoute la radio
      wij wachten op de  bus    - nous attendons le bus  (geen sur!)

Slide 4 - Slide

Het zelfst nw is een persoon er ervoor staat het voorzetsel à -                                               het is een meewerkend vw.
                 je demande une réponse aux candidats 


  •  à kan verstopt zitten in au/ aux
  • ook hier zijn er verschillen met het Nederlands            praten met          - parler à        
     telefoneren met - téléphoner à
     schrijven naar    - écrire à
     zeggen tegen       - dire à
     iemand antwoorden - répondre à

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Op welke 2 plekken kan je een pronom personnel zetten in de zin?

Slide 7 - Mind map

Waar?
Infinitif in de zin?   Voor de infinitif
Geen infinitif?  Voor het eerste werkwoord
Je vais faire mes devoirs - Je vais les faire
Als het eerste werkwoord avoir of être is heb je géén infinitif                                  je l'ai vu
                              je vais les regarder

Slide 8 - Slide

Ontkenning
Altijd om het eerste werkwoord heen
Je ne l' ai pas rencontré
Je ne vais pas lui répondre

Slide 9 - Slide

Heb je het gesnapt? ja of nee?

Slide 10 - Open question

In de onderstaande zin is het pronom personnel meewerkend voorwerp. Is de juiste vorm gebruikt?
L'agent lui donne une amende (De agent geeft hem een bekeuring)
A
"Lui'' is de juiste vorm
B
"Lui'' is niet de juiste vorm

Slide 11 - Quiz

Vervang het meew.voorwerp door een pronom personnel: je donne le livre à mon frère.
A
je donne le livre à lui
B
je lui donne le livre
C
je la donne le livre
D
je le donne le livre

Slide 12 - Quiz

Vervang het lvw door een pronom personnel: Robert va donner les livres à ses amis
A
Robert les va donner à ses amis
B
Robert va les donner à ses amis

Slide 13 - Quiz

Vervang het lijdend voorwerp in deze zin door un pronom personnel: je donne les cadeaux à mon amie
A
Je donne les à mon amie
B
Je leur donne à mon amie
C
Je lui donne à mon amie
D
Je les donne à mon amie

Slide 14 - Quiz

Vervang het lv door een pronom personnel: Jean va dire la vérité à ses amis
A
Jean les va dire à ses amis
B
Jean va la dire à ses amis
C
Jean va leur dire à ses amis
D
Jean la va dire à ses amis

Slide 15 - Quiz

Le pronom personnel
Kies het juiste antwoord
Est-ce que tu connais Maître Gims?
A
Oui je lui connais
B
Oui, je connais
C
Oui, je le connais
D
Oui, je la connais

Slide 16 - Quiz

A vous maintenant! 
Travail à faire: 
  • Grandes lignes en ligne: exercices 9 - 11

Slide 17 - Slide