Plein 16 thema 1 kennismaken JFR

start  les 
je krijgt een boek plein 16 >  
 schrijf je naam boven aan 
met een stift  
van mw de Jong 
1 / 124
next
Slide 1: Slide
ISKSpeciaal OnderwijsLeerroute 1Leerroute 2

This lesson contains 124 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

start  les 
je krijgt een boek plein 16 >  
 schrijf je naam boven aan 
met een stift  
van mw de Jong 

Slide 1 - Slide

Plein 16   thema 1
  
Hallo hoe heet je?
 
  we gaan kennismaken 

met 
Esma Tess en Kaya 
en Marek Esra en Servaas. 

Slide 2 - Slide

wat is kennismaken ?
De beste vrienden, blz.11

Slide 3 - Open question

met wie heb jij in de klas nog niet kennis gemaakt ?

Slide 4 - Open question

kennismaken 
 wat vraag je ? 
wat wil je weten? bijvoorbeeld   
1. hallo , wat is je naam ? 
2. waar kom je vandaan ? 
3. waar.....? 
4. hoe ......? 

wat zeg je ? 
wat is je antwoord? 

1. hoi , ........
of 
2. ik kom uit ....................
3. ............................
4. ............................

Slide 5 - Slide

Plein 16   thema 1
  
Hallo hoe heet je?
 
  we gaan kennismaken met Esma Tess en Kaya 
en Marek Esra en Servaas. 
De beste vrienden, blz.11

Slide 6 - Slide

met wie hebben we
kennis gemaakt ?

Slide 7 - Mind map

vorige les : nieuwe woorden 
1. kennismaken
2. voorstellen
 
3. plein 

4. terras

5. sluiten   
   

1. nieuw meisje of jongen leren kennen = 1ste X ontmoeten.
2. vertellen wie je bent. 

3. daar kun je lopen , is in een dorp of stad, zitten, eten of praten met vrienden. 
4. is buiten zitten, je kan daar iets drinken is bij een restaurant. 
5. dicht doen 

Slide 8 - Slide

wat is voorstellen
A
vertel wie je bent
B
hallo zeggen
C
vertel welke dag het is
D
welke dag het is

Slide 9 - Quiz

wat is sluiten ? 
De deur dicht doen.
Het gordijn dicht doen. 
De kast dicht doen. 

Slide 10 - Slide

het  venster 
het terras 
een groot plein 
kennismaken 
sluiten 

Slide 11 - Drag question

we gaan hard-op lezen blz 11 en 12 
en   
na-kijken huiswerk 
-opdracht 1 > blz 12. 
-belangrijke zinnen en woorden ? (blz 13) welke weet je niet ?   
-opdracht 1,2,3,  blz 13   
- nog moeilijke woorden ? 
- samen verder opdracht 4, 5 maken = een familie tekening.
-8, 9, 10, 11, en 12 
- einde vraag  7 >  wie ben jij ? 

Slide 12 - Slide

De vraag ?  
1. Wat doe jij met jou vrienden? 
2. Heb je broers en of zussen 
3. Welk land kom jij ? 
4. Waar woon je nu in Nederland ?  
5. Wat doe jij graag ?  
graag = leuk
5b. Wat vind jij leuk om te doen?

6. Waar ben jij geboren ? 
7. Heb je een bijnaam? 

Het antwoord: 
1. ik wandel  met mijn vriendinnen  
2. Ik heb 1 broers en geen zus  
3. Ik kom  uit Nederland 
4. Wij  wonen nu in Heerenveen  
5a.   Ik lees graag  een boek.  
Graag gaan we  samen kijken naar een film. 
5b.ik vind het leuk om te fietsen en zwemmen. 
6. ik ben geboren in  Heerenveen 
7. mijn bijnaam is 

Slide 13 - Slide

Wat doe je op
een plein?

Slide 14 - Mind map

Ik sluit de deur.
sluiten =
A
Open doen
B
Dicht doen
C
Stuk maken
D
De deur verven

Slide 15 - Quiz

Welke taal spreek jij thuis?
Ik ………..thuis ……………………

Slide 16 - Open question

het Restaurant plein 16 ligt aan een plein ?
A
ja
B
nee
C
soms

Slide 17 - Quiz

Een plein is een ............ plek in een dorp of stad.
A
soms
B
dichte
C
open
D
samen

Slide 18 - Quiz

ik doe de deur dicht
dicht = .........
A
de deur sloeten
B
de deur sluiten
C
de deur sleiten
D
de deur slippen

Slide 19 - Quiz

de man is getrouwd hij is de .........

A
de echte
B
de echtgenote
C
de echteling
D
de echtgenoot

Slide 20 - Quiz

de vrouw is getrouwd zij is de ....
A
de echteling
B
de echtgenoot
C
de echtgenote
D
de eerste de beste

Slide 21 - Quiz

ik ga in mijn huis en
........................ de deur
A
dicht
B
open
C
woon
D
staan

Slide 22 - Quiz

Wat is ander woord voor:
het venster

Slide 23 - Open question

Wat is dit ?

Slide 24 - Mind map

het terras van plein 16 heeft ......
A
tafels , stoelen en parasollen
B
tafels, fietsen en parasollen
C
parasollen, bomen en fietsen
D
stoelen en tafels

Slide 25 - Quiz

pak je map en opdrachten 
1. huiswerk nakijken, de opdrachten nakijken 
van bladzijde 16,17,18,19 en 20.
 
2.  opdracht 7 gaan we doen , we maken een woordspin. 

Slide 26 - Slide

opdracht 7  >   bladzijde 16  
nu volgt een voorbeeld 
van vraag ? 
en antwoord. 

- je gaat vragen stellen en een woordspin maken. 

Slide 27 - Slide

geef antwoord / schrijf op papier!   
   
1.  Wat doe jij met jou vrienden? 
2.  Heb je broers en of zussen 
3.  Uit welk land kom jij ? 
4.  Waar woon je nu in Nederland ?  
5.   Wat doe jij graag ?
5b.  Wat vind jij leuk om te doen?
6.  Waar ben jij geboren ? 
7.  Heb je een bijnaam ? 

Slide 28 - Slide

1. Wat doe jij met jou vrienden? 


2. Heb je broers en of zussen 
3. Welk land kom jij ? 
4. Waar woon je nu in Nederland ?  
5. Wat doe jij graag ?
5b. Wat vind jij leuk om te doen?
6. Waar ben jij geboren ? 
7. Heb je een bijnaam ?     
1.  Zij  doet graag eten maken.( graag basketballen- of voetballen)   
1b.  Zij gaat veel appen met vrienden.
2.  zij heeft 1 broer en 2 zussen. 
3.  Zij komt uit Polen 
4.  zij woont nu in Emmeloord 
5. zij doet graag lezen , wandelen. 
5  ZIj vindt  het leuk om te fietsen.  6
6. zij is geboren in Afganistan 
7.  Zij heeft de bijnaam ....

Slide 29 - Slide

vraag 7 
maak een woordspin

vraag  2  leerlingen: 
de naam in midden 
- antwoorden 
  
woordspin
timer
3:00

Slide 30 - Slide

laat je woordspin zien 
vertel .....over 
maak een foto van de woordspin 

Slide 31 - Slide


Slide 32 - Open question

welke woorden heb je geleerd ?

Slide 33 - Poll

Wat doen de mensen op het plein?
doe- woorden

Slide 34 - Open question

dinsdag  24 mei 
huiswerk  was 
lezen bladzijde 24 

deze les :  
Spreken  we Nederlands  door vragen en antwoord geven
leren we te luisteren naar uitspraak  :   a.  en of aa. 
pak bladzijde: 20  21  en potlood. 

Slide 35 - Slide


"We hebben elkaar ontmoet op school".
wat betekent het woord :  met  elkaar
A
Iets doen
B
Niet goed doen
C
Niet iets maken
D
Samen iets doen

Slide 36 - Quiz

Spreken 
geef antwoorden 


we herhalen les van vrijdag : wat is je antwoord, wat zeg je? 
*maak hele zinnen  
A/B  
binnen buiten kring  

Slide 37 - Slide

uitspraak 1 en 2 





en taalriedel 1  blz. 21 
uitspraak 2 a/aa
uitspraak 1 a/aa

Slide 38 - Slide

telwoorden - blz. 22 
opdracht 21 en 23 

Slide 39 - Slide


ik 
hij / zij 
u , jij/ je 
 Maak      jij-je 



wij / jullie  

maak  de foto 
maakt   
 maakt 
maak  =
REGEL  je /jij achter het doewoord 

maken 
op de foto

Slide 40 - Slide

maak:  opdracht 24  

Slide 41 - Slide

doe woorden >opdracht 25 

ik 
hij/ zij- ze 
jij / je , u 
.......     jij / je ? 

wij .....
maken  
zingen
noemen
spreken 
horen 
hebben 
openen 
 zitten 
kijken 


 

Slide 42 - Slide

opdracht 25 
1. Tess ( zij) zingt graag.
 
2. Wij ( meer) drinken geen koffie.

3. Jullie ( meer) maken veel foto's. 

4. Essie en haar broer ( 2 ) zingen een liedje. 

Slide 43 - Slide

de neef van Marek 
de opdrachten 33 34 35 37 
de neef van Marek

Slide 44 - Slide

 blz 24 en 25 
we luisteren! 
*pak je potlood zet een streep onder de woorden 
  1. hij woont hier pas
  2. weinig 
  3. beetje 
  4. ik woon hier al lang. 



 Na deze les weet je wat : 
1. ik woon hier nog maar net
2. ik woon hier nog maar pas
3. ik woon hier al een tijdje  
4. ik woon hier al een tijd
5. Ik woon hier nog maar kort.
betekend   en kun je goed antwoord geven op de vragen

de neef van marek

Slide 45 - Slide

HOELANG ? = 
  1. nog maar net 
  2. nog maar pas 
HOEVEEL  ? =  
  1. beetje   
HOELANG ?
  1. al een tijdje 
  2. al een tijd 
schrijf op in je woordenboek 

Slide 46 - Slide

 nog maar net 
nog maar pas 

beetje -  veel 



al een tijdje 
al een tijd 
is heel kort ( 3 weken ) tijd 
is ook nog maar kort ( 3 weken) is tijd. 

maar heel weinig Nederlands
is heel goed Nederland

is meer dan een half 1/2 jaar   
is b.v . al een 4 jaar 

Slide 47 - Slide

herhalen woorden  
de neef van Marek 

Slide 48 - Slide

wat is KNAP ?

Slide 49 - Mind map

je wil weten hoelang iemand in Nederland woont......
de vraag is .....
A
Woon in Nederland hier al?
B
Woon jij in Nederland hier ?
C
Nederland woon je hier al ?
D
Hoelang woon je in Nederland ?

Slide 50 - Quiz

*wat is niet een goed antwoord
Hoelang woon je hier al ?
A
ik woon niet al lang.
B
ik woon hier 6 jaar.
C
ik woon hier pas.
D
ik woon hier nog maar net.

Slide 51 - Quiz

nog maar pas =
A
heel kort
B
heel lang
C
50 jaar
D
heel groot

Slide 52 - Quiz

je bent in Nederland nog
maar kort =
A
5 jaar
B
2 weken
C
6 maanden
D
6 weken

Slide 53 - Quiz

ik woon hier nog maar pas
ander woord voor PAS

Slide 54 - Open question

zingen
ik
hij/zij
A
zing- zingt
B
zing- zingd
C
zingt- zingde
D
zing- zing

Slide 55 - Quiz

zitten
ik /
hij zij ze
A
zit - zitt
B
zit - zitst
C
zit - zit
D
zit- zitd

Slide 56 - Quiz

openen
ik
hij / zij - ze
A
openen - opent
B
open- opent
C
open- opende
D
open- opendt

Slide 57 - Quiz

hebben
ik /
hij /zij-ze
A
hebt - heeft
B
heeft - heeft
C
heb - hadt
D
heb - heeft

Slide 58 - Quiz

horen
ik
hij / zij - ze
A
hor - hort
B
hoor- hoordt
C
hoor- hoort
D
hor - hoord

Slide 59 - Quiz

praten
ik
hij/ zij- ze
A
praat- prad
B
praat- praat
C
praat- praadt
D
praat- prat

Slide 60 - Quiz

noemen
ik
hij/ zij- ze
A
noem- nomed
B
noem-noemt
C
noemd-noemdt
D
noem- noemd

Slide 61 - Quiz

zijn
ik
hij/ zij- ze
A
ben- is
B
ben- bent
C
bent - bent
D
ben- zijn

Slide 62 - Quiz

maken
A
ik maakt een foto van jou
B
hij maak een foto van hem
C
wij maken een foto van jullie.
D
ik maken een foto van hem

Slide 63 - Quiz

drinken
A
ik drinkt de thee
B
ze drink altijd koffie
C
zij drinkt cola
D
wij drinkt geen koffie

Slide 64 - Quiz

dinsdag 7 juni 
                             vrijdag vervolg  >
 

groep B.  
kennismaken met ............
Plein 16 en de mensen !  

blz 11. 

groep A . verder:   zelfst. (het papier aanvullen ..... 
Hardop lezen in duo's  
1. de opdrachten, blz 28 maken 33 ,34,35.  
2. Problemen lezen = blz 30 de opdr. 42,43,46,47. 
lezen moeilijke woorden en opdr. 48,49,50. maken 


 

Slide 65 - Slide

problemen 
blz. 30
problemen

Slide 66 - Slide

huiswerk 
vrijdag 10 juni   
groep A 
spreekopdracht duo's:  Problemen  
verder de opdrachten afmaken bespreken. 

groep B:   BERT >bespreken : alle opdrachten  
klaar:  dan verder met volgende verhaal.  
 

Slide 67 - Slide

maak 
moeilijke woorden af op papier opdr. 2  
tegenstellingen 
goed -  slecht
hier - daar 
knap - lelijk 
lekker - vies 
nu - straks /later 
weinig - veel  

Slide 68 - Slide

problemen 
blz. 30
problemen

Slide 69 - Slide

de opdrachten  blz31
  41,42,
belangrijke zinnen ! 
belangrijke woorden 

Slide 70 - Slide

emotie 
1.ik voel me slecht 
2. het gaat niet zo goed 
3. het gaat wel 
4. het gaat goed 
5. het gaat prima 
6. het gaat super 

Slide 71 - Slide

emotie 

Hoe voel je je ? 
Ben je blij of ben je verdrietig? 
 
Voel je je goed ? 
Voel je je slecht ? 

Slide 72 - Slide

ik voel me
A
ik voel me blij !
B
ik voel me prima !
C
het gaat goed !
D
ik voel me niet goed !

Slide 73 - Quiz

ik voel me ..
A
super goed
B
.....het gaat goed.
C
slecht
D
......het gaat prima

Slide 74 - Quiz

het gaat heel slecht met mij...
A
B
C
D

Slide 75 - Quiz

ik voel me ....
A
" het gaat wel"
B
" het gaat prima"
C
ik voel me blij ......
D
"het gaat super".

Slide 76 - Quiz

noem een emotie

Slide 77 - Mind map

gooi met de dobbelsteen
1. het gaat slecht 
2. het gaat niet zo goed 
3 het gaat wel 
4.het gaat goed 
5.het gaat prima, 
6.het gaat super  

Slide 78 - Slide

belangrijke zinnen (blz 25) 
Vragen en zeggen hoe het gaat.  
1. docent zegt voor ...
2. dan jij goed antwoord geven ? 

Slide 79 - Slide

bezittelijk voornaamwoord 
blz 46 
het is mijn zus 
het is mijn broer 
het zijn mijn  zussen
het zijn mijn  broers

het is onze (=meer)  zus. 
hebben 

ik heb een zus (= zij) 
ik heb een broer ( hij) 
ik heb 2 zussen  ( zij ) 
ik heb 2 broers ( hij ) 

Ik heb 2 broers en 2 zussen.   

Slide 80 - Slide

opdracht 47
wat zeg je?  
ik  
over iemand (jongen of meisje) 
mevrouw  meneer 
mijn vriend 
mijn vriendin.
ik heb een zus en broer en een zus.  

Slide 81 - Slide

haar 
meisje / vrouw

moeder/dochter/
oma 
zijn
jongen / man 

vader / zoon / opa 

Slide 82 - Slide

47 
1.     Zijn  
2.   Haar 
3.   Onze
 4. Onze  
5.    Mijn 
6.  Onze 

Slide 83 - Slide

wat heb je geleerd in deze les ?

Slide 84 - Poll

deze les ?
😒🙁😐🙂😃

Slide 85 - Poll

uitspraak 3 blz. 29
de letter.   o    of   oo 


Slide 86 - Slide

 "goedemorgen"

zeg je als het ochtend is
 

  • wat zeg je al het middag is ? 
  • wat zeg je als het avond is? 
  • wat zeg je als het nacht is ? 

vul in opdracht 40. 

Slide 87 - Slide

hoe gaat het ?
geef antwoord maak een zin !

Slide 88 - Open question

opdracht 44 en 45 

Slide 89 - Slide


jij zucht na hard rennen
wat doe je ?
A
langzaam adem halen
B
iets met je voeten.
C
een lange adem
D
iets met de neus.

Slide 90 - Quiz

ik luister naar de radio
hij luistert naar de radio
luisteren:
A
doe je met je oren
B
doe je met je mond
C
doe je met je hand

Slide 91 - Quiz

ik denk met mijn ......
hij denkt met zijn ......
A
oor
B
oog
C
hersenen
D
neus

Slide 92 - Quiz

wat is een neef ?

Slide 93 - Open question

wat is een nicht

Slide 94 - Open question

wat is:
"nog maar net" ?
A
heel lang
B
korte tijd
C
veel tijd

Slide 95 - Quiz

ik woon hier "al lang"
A
wel 1 week
B
wel 10 jaar
C
wel 1 dag
D
wel 1 maand

Slide 96 - Quiz


wat betekent :  
"ik woon hier "nog maar pas" ?
A
ik woon hier 1 week Emmeloord
B
je woont 5 maand in Emmeloord
C
ik woon 1 jaar in Emmeloord

Slide 97 - Quiz


wat betekent:
je bent knap !
A
je bent mooi
B
je bent niet mooi

Slide 98 - Quiz

wat knap van jou dat je dit kan !
A
wat slecht van je !
B
wat goed van je !
C
wat vervelend van je !

Slide 99 - Quiz

"weinig"
betekent

A
veel
B
beetje
C
super
D
meestal

Slide 100 - Quiz

 bladzijde 29 
pak je potlood/pen 
je hoort de klank: 
 de "o"  kort    of "oo" lang  
vul in opdracht 38. 
uitspraak 3 blz 29

Slide 101 - Slide

blz 31
1. Taalriedel 2.
2. Verhaal
zijn er nog nieuwe woorden ?


problemen/ vrienden blz 30

Slide 102 - Open question

daar
A
verder weg
B
dicht bij jou

Slide 103 - Quiz

taalriedel 3 
A. Goedemorgen   
Gaat het goed ?

ook heel goed 
Dankjewel.  
 
         B. Goedemorgen
Het gaat prima 
en met jou ?  


Dag , tot ziens 

Slide 104 - Slide

je naam blz 35 
vergeten = ik weet je naam niet meer ....
ik ben verlegen = ik durf niet zo goed ...met je te praten. 
ik ben je naam vergeten....

Slide 105 - Slide

wat is de glimlach ?
A
je gezicht is boos
B
je gezicht is blij
C
je gezicht is verlegen

Slide 106 - Quiz

lachen
hij/ zij
A
lach
B
lacht
C
lachen

Slide 107 - Quiz

wat is
de stem
A
hoe ik je hoor
B
hoe ik je zie
C
hoe ik je ruik
D
hoe ik je voel

Slide 108 - Quiz

dichtbij is ......
A
je moet lopen.
B
je moet 2 stappen zetten.
C
je moet 2 meter lopen.
D
het is 20 kilometer lopen, het is ver weg.

Slide 109 - Quiz

ik weet hoe oud je bent.
welke vraag ?
A
hoe oud is je
B
hoe oud zijn je
C
hoe oud ben je
D
hoe oud jullie bent

Slide 110 - Quiz

ik weet waar je vandaan komt.
de vraag :
A
waar vandaan je komt ?
B
waar kom je ?
C
waar kom je vandaag?
D
waar kom je vandaan?

Slide 111 - Quiz

Je hebt een zus.
de vraag :
A
heb je een broer
B
Heb jij haar zus ?
C
heeft jij een zus ?
D
Hoeveel zussen heb je?

Slide 112 - Quiz

je woont net achter mij.
de vraag: ....
A
welke straat woon je ?
B
waar woont je
C
waar wonen je ?
D
welke stad woon je ?

Slide 113 - Quiz

Hoelang woon je in Nederland?
antwoord .....
A
Ik woon hier al lang.
B
ik woon altijd nu
C
ik woon teveel
D
ik woon mooi

Slide 114 - Quiz

hier
A
dicht bij je
B
heel ver weg
C
verder weg

Slide 115 - Quiz

tegenstelling van licht
A
donker
B
water
C
helder
D
zon

Slide 116 - Quiz

tegenstelling van
hier
A
bijna
B
verder
C
helemaal
D
daar

Slide 117 - Quiz

tegenstelling van:
knap
A
lelijk
B
mooi
C
stoer
D
grappig

Slide 118 - Quiz

tegenstelling van dat
is knap
A
dat is mooi gedaan
B
wat slecht van je
C
dat is veel
D
dat is weinig

Slide 119 - Quiz

maak een zin met :
de vrienden / spreken / nu of straks / buiten

Slide 120 - Open question

ik vind deze les
😒🙁😐🙂😃

Slide 121 - Poll

doe- woorden 
ik drink - jij drinkt 


drinken 
eten
gaan
koken
leren
lopen
ruiken
wonen
maken



Slide 122 - Slide

wie / wat woorden 
1. het broodje-het brood 
2. de keuken
3. de les
4. de neef - de neven 
5. de nicht - de nichten 
6. de suiker 
7. de thee
  
drinken 
eten
gaan
koken
leren
lopen
ruiken
wonen
maken 



blij 
goed- slecht
knap-lelijk
kort-lang
lekker- vies 
Nederlands
niemand
nu- straks-later
weinig - veel  

Slide 123 - Slide

de zinnen 
1. het gaat prima 
2. goedemorgen 
3. ik heet.........
4. hoe gaat het met jou ? 
5. ik ben ......jaar oud 
6. ik spreek goed Nederlands 

Slide 124 - Slide