Recap 2 Theme 4

1 / 38
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 1

This lesson contains 38 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 80 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide



  • Taking the register (roll call)
  • Test
  • What do you need?
  • Learning goals
  • Grammar Recap
  • Vocabulary Recap



  • Let's get down to work (exercises)
  • Homework

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide


donderdag 25 maart

Slide 4 - Slide

iPad      workbook      binder          pen         airpods
                       B                             and pencil

Slide 5 - Slide

  • Herhalen Unit 4

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Gebiedende wijs

wel doen / niet doen

Slide 8 - Slide

Gebiedende wijs
   

  • - Bevel > Come here!
  • - Waarschuwing > Watch out!
  • - Advies > Drink plenty of water.
  • - Verbod > Don't park here.
  • - Instructie > Mix the mayonaise and ketchup together.
Met de 'gebiedende wijs' geef je aan wat iemand wel of niet moet doen.
Bij de gebiedende wijs begint de zin altijd met het werkwoord.

Slide 9 - Slide

Gebiedende wijs
Kijk uit!
Watch out!
Drink veel water.
Drink plenty of water.
Open je boek op pagina 28.
Open your book on page 28.
Wacht even!
Wait a minute!
Doe het raam dicht.
Close the window.
Wel doen
Niet te hard praten.
Don't talk too loud.
Kom niet te laat.
Don't be late.
Niet doen!
Don't do that!
Hier niet eten.
Don't eat here.
Verpest het niet.
Don't mess it up.
Niet doen
Bij de gebiedende wijs begint de zin altijd met het werkwoord.

Slide 10 - Slide

object
pronouns

Slide 11 - Slide

Object pronouns
  • Je gebruikt 'object pronouns' niet als onderwerp van de zin, maar als (lijdend of meewerkend) voorwerp
  • Je gebruikt 'object pronouns' als vervanging van personen, dieren of dingen
  • Je gebruikt 'object pronouns' ook na voorzetsels

Slide 12 - Slide

Object pronouns
  • We heard mister Sebel sing last week.
  • We heard him sing yesterday.
  • I did my homework yesterday.
  • I did it yesterday.
  • She bought a present for them.
  • Give it back to her.

Slide 13 - Slide



Persoonlijke voornaamwoorden
(onderwerp)

I (ik)
you (jij)
he (hij)
she (zij)
it (het)
we (wij)
you (jullie)
they (zij)



Persoonlijke voornaamwoorden
(niet-onderwerp)

me (me)
you (jou)
him (hem)
her (haar)
it (het)
us (ons)
you (jullie)
them (hen)
object pronouns

Slide 14 - Slide

demonstrative
pronouns

Slide 15 - Slide

Herhalen: this/that/these/those
  • Om iets aan te wijzen gebruik je aanwijzende voornaamwoorden.

  • Het Engels kent er 4:                                         - this        - these                                               - that       - those

Slide 16 - Slide

Herhalen: this/that/these/those


  • this > 1 (voorwerp) dichtbij
  • that > 1 (voorwerp) verweg

  • these > 2 of meer (voorwerpen) dichtbij
  • those > 2 of meer (voorwerpen) verweg
Wanneer gebruik je welke?

Slide 17 - Slide

Can + infinitive

Slide 18 - Slide

Can + infinitive
Om aan te geven dat je iets wel of niet kan/kunt doen gebruik je 'can + infinitive' (infinitive = hele werkwoord)

I can speak 7 languages.
They can sing beautifully.
She can't help you right now.
We can't do our homework today.

Can't 
voluit geschreven = cannot

Slide 19 - Slide

present
simple

Slide 20 - Slide

bevestigen
(+)

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Present simple (+)
Gebruik: 
  • tegenwoordige tijd
  •  - feiten
  •  - gewoontes
Vorm: 
  • hele werkwoord
  • > LET OP DE SHIT REGEL (She, He, IT)
  • > he, she, it = hele werkwoord +s (sing-sings)
  • > he, she, it = hele werkwoord +es bij s-klank (watch-watches)
  • > he, she , it = hele werkwoord +es bij o op het eind (go-goes)

Slide 23 - Slide

vragen (?)
&
ontkennen (-)

Slide 24 - Slide

Present simple (?/-)
Vragen: 
  • Do ... + werkwoord ... ? (I, you, we, you, they)
  • Does ... + werkwoord ... ? (he , she, it)

Ontkennen: 
  • ... don't + werkwoord ... . (I, you, we, you, they)
  • ... doesn't + werkwoord ... . (he , she, it)

Slide 25 - Slide

Present simple
Bevestigend (+)
hele w.w. (he/she/it = w.w.+s)
Ontkennend(-)
Do + w.w. (he/she/it = Does + w.w.)
Vragend (?)
don't + w.w. (he/she/it = doesn't + w.w)
I work hard.
 I don't work hard.
Do I work hard?
You work hard.
You don't work hard.
Do you work hard?
He works hard
He doesn't work hard.
Does he work hard?
She works hard.
She doesn't work hard.
Does she work hard?
It works hard.
It doesn't work hard.
Does it work hard?
We work hard.
We don't work hard.
Do we work hard?
You work hard.
You don't work hard.
Do you work hard?
They work hard.
They don't work hard.
Do they work hard?

Slide 26 - Slide

some any

Slide 27 - Slide

some & any
Betekenis: 
  • enige
  • enkele
  • wat
  • een paar
  • geen (in combinatie met NOT)
Gebruik:
  • some: bevestigende zinnen, vraag/verzoek waarop je 'ja' verwacht.
  • any: ontkennende zinnen (not), alle andere vragen/verzoeken.                                                                  > Je weet niet wat de ander zegt.

                                                 

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Vocabulary 4.1
 
Engels
Nederlands
Engels
Nederlands
agree
het eens zijn
peanut butter
pindakaas
biscuit
koekje
recipe
recept
bowl
bak
roast
roosteren
butter
boter
sound
klinken 
chips
friet, patat
spoon
lepel
comment
opmerking
strange
vreemd
disgusting
walgelijk
food
voedsel
fork
vork
hunger
honger
knife
mes
mix
mengen

Slide 30 - Slide

Vocabulary 4.2
 
Engels
Nederlands
Engels
Nederlands
better
beter
present
cadeau
bill
rekening
share
delen
book
reserveren
waiter
ober
choice
keuze
cookies (biscuits)
koekjes
dish
gerecht
free
vrij
ice cream
ijs
idea
idee
large
groot
main course
hoofdgerecht
party
feest

Slide 31 - Slide

Vocabulary 4.3
 
Engels
Nederlands
Engels
Nederlands
a bit
een beetje
smell
ruiken
add
toevoegen
sweet
zoet
bake
bakken
taste
smaken
burn
verbranden, aanbranden
cooker
fornuis
crisps
chips
cut
snijden
healthy
gezond
heat up
verhitten
honey
honing
nut
noot
salt
zout

Slide 32 - Slide

Vocabulary 4.4
 
Engels
Nederlands
Engels
Nederlands
anyway
hoe dan ook
rice
rijst
bird
vogel
usually
meestal
delicious
heerlijk
vegetarian
vegetariër
dinner lady
kantine dame
easy
makkelijk
meat
vlees
never
nooit
omelette
omelet
pie
pastei, taart
piece
stuk
plate
bord
quick
snel

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

Unit 4: Self-test
Study: Grammar & Vocab        

Do: 
- Vocabulary      
- Wel doen! / Niet doen!
- Me, you, him
- This / that / these / those
- Present simple
- Some / any


Let op: afkortingen met een apostrof (') worden vaak fout gerekend terwijl dit wel goed is. 
              Kijk hier even goed naar als je de antwoorden controleert. Bij vragen steek je hand op.

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Slide

Leren:
- Vocab 4.1+4.2, page 174, Workbook A
- Vocab 4.3+4.4, page 175, Workbook A
- Phrases Writing, page 176, Workbook A
- Phrases Speaking, page 177, Workbook A
- gebiedende wijs 
- can + infinitive 
- tags 
- could/couldn't
- much / many
- present simple
- some & any

Slide 37 - Slide

Thanks for your attention

Slide 38 - Slide