Domein H

Domein H
1 / 31
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 31 slides, with text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Domein H

Slide 1 - Slide

Productiefactoren
4 productiefactoren en hun beloning

  • Natuur  > Pacht
  • Arbeid > Loon
  • Kapitaal > Rente / huur
  • Ondernemerschap > Winst
Dit zijn de primaire inkomens!

Slide 2 - Slide

Toegevoegde waarde





Omzet  - Inkoop   = toegevoegde waarde
inkoop = alles dat bij andere bedrijven vandaan komt

Slide 3 - Slide

BBP berekenen
objectieve methode (via productie) = optelsom van alle toegevoegde waarden
subjectieve methode (via inkomens) = optelsom primaire inkomens + afschrijvingen
via de bestedingen: Y = C + I + O + E - M

Slide 4 - Slide

Oorzaken economische groei
Economische groei ontstaat wanneer het BBP, dus de toegevoegde waarde (productie) van een land stijgt. Dit gebeurt als kwaliteit en / of kwantiteit van de productiefactoren stijgt. 
BV: meer kapitaalgoederen, meer bevolking; verbetering kapitaalgoederen, beter onderwijs
Nominale economische groei: procentuele verandering BBP
                                                 De groei van de waarde van de economie
Reele economische groei: De groei van de omvang/volume van de economie. Het effect van de prijsstijging is eruit gehaald.

Slide 5 - Slide

Internationale concurrentiepositie en economische groei
De Internationale concurrentiepositie is van invloed om de economische groei. Economische groei ontstaat immers door meer productie. Hoe meer productie hoe meer groei.
Export levert productie op!
Een stijging van de apt is goed voor de internationale concurrentie positie.
Zolang de apt in procenten meer stijgt dan de lonen, stijgt de internationale concurrentiepositie.

Slide 6 - Slide

Protectie
Importtarieven: geïmporteerde producten worden duurder gemaakt
importquota: de hoeveelheid geimporteerde producten wordt beperkt.
importvoorschriften: geïmporteerde producten moeten aan bepaalde eisen voldoen.

Infant-industrie: opkomende economien, mogen hun economie beschermen

Slide 7 - Slide

Economische kringloop 
.
Wat er bij een 'speler' binnen komt, gaat er ook weer uit

Slide 8 - Slide

Formules
  • Omdat alles wat erin komt, gelijk is aan wat eruit gaat, gelden de volgende identiteiten:
  • Y = C + B + S
  • Y = C + I + O + E - M
  • (S - I) + (B - O) = (E - M)

Slide 9 - Slide

(S-I) + (B-O) = (E-M)

!!LEREN!!
(S-I) = Particulier spaarsaldo
(O-B) = Saldo overheid
(E-M) = Saldo lopende rekening = Nationaal spaarsaldo

Slide 10 - Slide

Betalingsbalans

De geldstromen m.b.t. de handel staan op de betalingsbalans.

Ook andere geldstromen van en naar het buitenland (bijvoorbeeld beleggingen) staan op de betalingsbalans.

Slide 11 - Slide

Lopende rekening

Slide 12 - Slide

kapitaalrekening
Overzicht van de beleggingen en investeringen in het buitenland of vanuit het buitenland.
Kapitaalexport: Beleggingen en investeringen door sectoren in het buitenland.
kapitaalimport: Beleggingen en investeringen vanuit het buitenland.
De inkomsten/uitgaven op de kapitaalrekening hebben invloed op de primaire inkomensrekening

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Video

Welvaart
Welvaart in enge zin: optelsom consumenten en producentensurplus of kijken naar bbp
                                              hoger bbp --> hogere welvaart (zegt iets over koopkracht maar niet alles)
Welvaart in brede zin: De (brede) welvaart van een gezinshuishoudens is waarde van behoeftebevrediging van schaarse goederen zoals consumptie van goederen en diensten, vrije tijd, milieu, leefomgeving, collectieve goederen, infrastructuur, risico     

Slide 15 - Slide

Groen BBP
Het groen bbp is het bruto binnenlands product (bbp) maar dan wanneer er rekening wordt gehouden met externe effecten aan het milieu. Wanneer een land in een jaar tijd veel meer gaat produceren stijgt het bbp. Echter brengt meer productie ook vaak veel uitstoot met zich mee waardoor er schade wordt gedaan aan het milieu. Bij het groen bbp wordt de schade aan het milieu van het bbp afgetrokken. Vervolgens wordt de waarde van verbeteringen aan het milieu bij het bbp opgeteld. Denk hierbij de waarde van een nieuw aangelegd bos.

Slide 16 - Slide

HDI (Human Development Index)
Een ranglijst van landen in de mate van welvaart. 

HDI meet méér dan het bbp, denk aan:
  • Levensverwachting
  • Onderwijs
  • Het bbp zelf (dit is dus ook een onderdeel van de HDI)

Slide 17 - Slide

Lorenzcurve
De Lorenzcurve geeft inkomensongelijkheid aan.


Slide 18 - Slide

Slide 19 - Video

Belastingstelsels 
  • Proportioneel belastingstelsel
  • Progressief belastingstelsel
  • Degressief belastingstelsel 

Slide 20 - Slide

Nivellering
Door een progressief belastingstelsel is er sprake van nivellering

Dit betekent dat de inkomensverschillen relatief kleiner worden

Slide 21 - Slide

primair en secundair inkomen
primair inkomen = loon, huur rente pacht en winst
secundair inkomen = primair inkomen - belastingen + eventuele tegemoetkomingen (=besteedbaar inkomen)
Nivelleren: het kleine worden van de inkomensverschillen
denivellering: het grote worden van de inkomensverschillen

Slide 22 - Slide

Heffingskorting
Heffingskorting zorgt ook voor het kleiner worden van inkomensverschillen.
In Nederland is de heffingskorting afbouwend, hoe hoger het inkomen hoe minder korting.
Ook als de heffingskorting een vast bedrag is werkt het nivellerend. 
Stel de heffingskorting is €2000,-. €2000,- korting op de belasting is voor iemand met een laag inkomen in verhouding veel meer korting dan voor iemand met een hoog inkomen. Daardoor worden de inkomensverschillen kleiner.

Slide 23 - Slide

Voorbeeld heffingskorting
Stel in een land hebben ze een proportioneel belastingtarief van 25%. Daarnaast hebben ze een heffingskorting van €2000,-
Persoon A heeft een inkomen van €15.000,- 
Persoon B heeft een inkomen van €30.000,-
Persoon A betaalt aan belasting 15.000 x 0,25 = 3750 en zou zonder korting dus 11.250 overhouden. Dankzij de korting nog maar 1750 belasting en dus een netto inkomen van 13.250
Persoon B betaalt aan belasting 30.000 x 0,25 = 7500 en zou zonder korting dus 22.500 overhouden (dus nog steeds het dubbele inkomen van persoon A). Dankzij de korting moet hij nu 5500 belasting betalen en hij houdt nog 24.500 over (dit is minder dan het dubbele inkomen (24.500 is minder dan het dubbele van 13.250).

Slide 24 - Slide

Rechtstreeks of niet?
directe belastingen
(inkomstenbelasting, loonbelasting, vennootschapsbelasting)

- indirecte belastingen
De winkelier betaalt deze belasting weer door aan het Rijk.
(btw en accijns)

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Video

Belasting
 Gemiddeld en marginaal tarief --> gemiddelde belastingtarief = belasting / bruto inkomen x 100
                                                                         Marginaal belastingtarief: het belastingpercentage dat je betaalt over je laatst verdiende euro
 Belastingwig --> verschil tussen nettoloon werknemer en de loonkosten van werkgever --> heeft invloed op internationale concurrentiepositie.
 Progressief /degressief belastingstelsel: gemiddeld tarief stijgt /daalt met inkomen
 Vlaktaks: 1 marginaal tarief
 Belasting op inkomen uit arbeid
 Belasting op vermogen
 Heffingskortingen
 Aftrekposten en bijtellingen
 Vennootschapsbelasting (belasting over winst)
 Indirecte belastingen, zoals de btw en de accijnzen

Slide 27 - Slide

Arbeidsmarkt
Hoe werkt de arbeidsmarkt? 

Slide 28 - Slide

Beroepsbevolking

  • mensen die kunnen & willen werken = beroepsbevolking
  • 1. iedereen die nu al werkt; 
  • 2. werklozen (mensen die willen werken) horen ook bij beroepsbevolking

Slide 29 - Slide

Conjuncturele en Structurele Werkloosheid 

conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die ontstaat door onderbesteding.

structurele werkloosheid: werkloosheid die wordt bepaald door de aanbodfactoren. ( kwantitatieve werkloosheid, kwalitatieve werkloosheid, frictiewerkloosheid, seizoenswerkloosheid)

Slide 30 - Slide

Verklaringen van werkloosheid
 fricties op de arbeidsmarkt
 mismatch tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod ten aanzien van opleiding /
kwaliteiten / regio
 te weinig vraag naar producten: binnenlandse vraag, exportvraag
 te hoge loonkosten: CAO, minimumloon
 hoogte en voorwaarden sociale uitkeringen m.b.t. werkloosheid
 vrijhandel, nieuwe technologie en outsourcing

Slide 31 - Slide