In mijn vakantie
(deed-doen) ____________ ik veel leuke dingen, maar het speciaalste
(was-zijn) ____________ dat ik de sleutels van mijn nieuwe huis
(kreeg-krijgen) ______________. Ik
(was-zijn) _______________dus veel in mijn nieuwe huis om te klussen.
Ook (ging-gaan) ______________ ik naar een pretpark met mijn familie. Het pretpark heet de Efteling. Het park heeft veel attracties en er is veel natuur. In het park zijn er een paar vijvers met bootjes. Wij (gingen-gaan) _____________ niet in de bootjes, want wij (gingen-gaan) ____________ liever in de achtbanen.
In de avond (aten-eten) ____________ wij in een restaurant in de Efteling. De ober (hielp-helpen) ___________ ons goed en het eten (was-zijn) __________ lekker, totdat iemand een pissebed het eten (zag-zien) _________. Toen (was-zijn) ____________ iedereen alert, zeker opa. Hij (at-eten) ____________daarna niks meer.