DP3 H4 4.1 en 4.2

1 / 22
next
Slide 1: Slide
Dienstverlening en ProductenMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 4

This lesson contains 22 slides, with text slides and 1 video.

Report this lesson

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

✍️ Startopdracht in stilte (5 minuten)
Sneakers in de aanbieding - Een paar sneakers kost normaal €80.
Deze week krijg je 25% korting.

Bereken:
1. Hoeveel euro korting krijg je?
2. Wat betaal je voor de sneakers?

Bonus:
Je hebt €75 bij je. Hoeveel geld houd je over?

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Lesplanning
Startopdracht
Terugblik
Koopgedrag
Boekopdrachten
Energizer
Praktijk
Exit ticket

HERHALEN → LEREN → OEFENEN → DOEN → TERUGKIJKEN




Slide 3 - Slide

“Vorige les ging het over presenteren. Vandaag gaan we een stap verder. Je krijgt niet altijd vijf of tien minuten om iets uit te leggen. Soms moet je iemand in heel korte tijd enthousiast maken.”
🎯Leerdoelen paragraaf 3.3/3.4

Aan het einde van de les kan ik...

  • uitleggen wat een koopbehoefte is;
  • uitleggen wat een koopmotief is;
  • koopmotieven herkennen;
  • onderscheid maken tussen rationeel en emotioneel koopgedrag.

Vandaag beginnen we met één vraag: Waarom koopt iemand eigenlijk iets?

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Even terug
  1. Waarom maakt een bedrijf promotie? Geef concrete voorbeelden.

Promotie kan iemand naar een winkel krijgen.

2. Wat zorgt er daarna voor dat iemand daadwerkelijk iets koopt?

Slide 5 - Slide

AIDA

Waar staan de letters voor?

A – Attention
I – Interest
D – Desire
A – Action

Extra:

Welke stap betekent:

“Koop hem vandaag!”

Action
Wat heb jij kortgeleden gekocht?
Denk aan iets dat jij onlangs zelf hebt gekocht.
Dat kan zijn: kleding, eten, game, cosmetica, sportspullen enz. (online en offline)

Schrijf alleen op:
  • Wat kocht je?
en:
  • Waarom koos je juist dát?

Dit is je KOOPMOTIEF

Slide 6 - Slide

AIDA

Waar staan de letters voor?

A – Attention
I – Interest
D – Desire
A – Action

Extra:

Welke stap betekent:

“Koop hem vandaag!”

Action

Slide 7 - Video

This item has no instructions

Koopbehoefte
Een koopbehoefte betekent:

Iemand heeft behoefte aan een product of dienst.

Je koopt iets omdat je het:

nodig hebt
of
graag wilt hebben

Slide 8 - Slide

This item has no instructions



NOODZAKELIJKE BEHOEFTE
Iets wat je echt nodig hebt.


Bijvoorbeeld:
eten;
kleding;
medicijnen.


NIET-NOODZAKELIJKE BEHOEFTE
Iets wat leuk of handig is, maar niet noodzakelijk.

Bijvoorbeeld:
nieuwe game;
extra sneakers;
nieuwe koptelefoon.
Vraag

Is een smartphone noodzakelijk of niet-noodzakelijk?
Nodig of gewoon graag hebben?

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

KOOPMOTIEF

Een koopmotief is: de reden waarom iemand iets koopt. Mogelijke koopmotieven:
  • prijs;
  • kwaliteit;
  • gemak;
  • uitstraling;
  • veiligheid;
  • status;
  • duurzaamheid.

Belangrijk: Twee klanten kunnen hetzelfde product kopen, maar om een andere reden.
timer
10:00

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Welk koopmotief?

Situatie 1: “Ik kies deze jas omdat hij in de aanbieding is.”

Situatie 2: “Ik wil deze telefoon omdat de camera veel beter is.”

Situatie 3: “Ik wil precies dat merk omdat bijna iedereen uit mijn team het draagt.”

Situatie 4: “Ik kies deze fles omdat ik hem steeds opnieuw kan gebruiken.”


Slide 11 - Slide

Welk koopmotief?
Situatie 1

“Ik kies deze jas omdat hij in de aanbieding is.”

→ Prijs

Situatie 2

“Ik wil deze telefoon omdat de camera veel beter is.”

→ Kwaliteit

Situatie 3

“Ik wil precies dat merk omdat bijna iedereen uit mijn team het draagt.”

→ bijvoorbeeld status / uitstraling

Situatie 4

“Ik kies deze fles omdat ik hem steeds opnieuw kan gebruiken.”

→ Duurzaamheid
Jij bent de verkoper

Een klant zegt: “Ik zoek nieuwe sportschoenen.”
Is dat genoeg informatie om goed advies te geven?

Ja/Nee 
Bij nee als antwoord: Wat zou je nog willen weten?


Conclusie
Een goede verkoper probeert achter de koopbehoefte én het koopmotief te komen.

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Rationeel koopgedrag
RATIONEEL -> De klant kiest vooral met zijn verstand.

Hij let bijvoorbeeld op:
  • prijs;
  • kwaliteit;
  • gebruiksgemak;
  • duurzaamheid.

Voorbeeld:
“Deze laptop kost €100 minder en heeft dezelfde specificaties.”

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Emotioneel koopgedrag
EMOTIONEEL -> De klant kiest vooral op gevoel.

Bijvoorbeeld door:
  • uitstraling;
  • merk;
  • mode;
  • gevoel;
  • emotie.
Voorbeeld: “Ik weet dat die andere goedkoper is, maar ik vind deze gewoon veel mooier.”

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Rationeel of emotioneel?
Wat denk jij?

  1. “Deze jas is warm en gaat jaren mee"
  2. “Ik vind het logo echt mooi.”
  3. “Deze fiets heeft de beste remmen.”
  4. “Ik voel me hier echt goed in.”
  5. “Deze is goedkoper én ik vind hem mooier.”

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Let op!
In werkelijkheid is koopgedrag vaak: VERSTAND + GEVOEL

Je vindt sneakers mooi...
maar
je kijkt misschien óók naar de prijs.

Je wilt de nieuwste telefoon...
maar
je vergelijkt misschien óók de opslag en batterij.

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Zelfstandig werken

1. Lees eerst de theorie goed (grijze gedeeltes in je boek)
2. Gebruik je markeerstift. Markeer alleen:
🟨 belangrijke begrippen & definities
🟨 stappen
🟨 dingen die je moet onthouden
koopbehoefte – noodzakelijke behoefte – koopmotief – koopgedrag – rationeel – emotioneel

Maak daarna:
  • paragraaf H4  §4,1 - 1 tot en met 7
  • Praktijkopdracht  H3: opdracht  afmaken collage
👉 Eerst lezen en begrijpen
👉 Daarna opdrachten maken

Slide 17 - Slide

Tijdens zelfstandig werken

Voor basisleerlingen zou ik niet zeggen: “Markeer alles wat belangrijk is.” Dat wordt inderdaad vaak een halve gele bladzijde.

Geef liever deze instructie:

Markeer per stukje theorie maximaal drie belangrijke woorden.

En loop tijdens het werken langs met vragen als:

“Wat is hier het belangrijkste begrip?”
“Waar vind je het antwoord in de theorie?”
“Hoort dit bij voorbereiden, maken of presenteren?”
“Waarom is de doelgroep belangrijk?”
Zelfstandig werken

Klaar met een onderdeel?

✅ Pak het antwoordmodel bij de docent
✅ Kijk je antwoorden na
✅ Verbeter je fouten


👉 Eerst lezen & begrijpen → dan maken → daarna nakijken & verbeteren

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

DIT OF DAT?
Sta op!

Links = keuze A
Rechts = keuze B

Kies snel.

Slide 19 - Slide

DIT OF DAT?
Sta op!

Links = keuze A
Rechts = keuze B

Kies snel.

Dilemma's

Nike of Adidas?
iPhone of Samsung?
Merkkleding of goedkoper en net zo goed?
€100 nu of een cadeaubon van €150 voor je favoriete winkel?
Mooier product of goedkoper product?
Duurzaam of goedkoop?

Bij twee rondes vraag je:

Waarom koos je dit?

Daarmee kom je automatisch weer bij de koopmotieven.
PRAKTIJKOPDRACHT  
PRAKTIJK

Voer de praktijkopdracht van §4.1 uit volgens je boek.

Houd tijdens het werken deze vraag in je hoofd:

Wat wil de klant en waarom wil de klant dat?

Slide 20 - Slide

Tijdens zelfstandig werken

Voor basisleerlingen zou ik niet zeggen: “Markeer alles wat belangrijk is.” Dat wordt inderdaad vaak een halve gele bladzijde.

Geef liever deze instructie:

Markeer per stukje theorie maximaal drie belangrijke woorden.

En loop tijdens het werken langs met vragen als:

“Wat is hier het belangrijkste begrip?”
“Waar vind je het antwoord in de theorie?”
“Hoort dit bij voorbereiden, maken of presenteren?”
“Waarom is de doelgroep belangrijk?”
Reflectie

Denk terug aan jouw aankoop van het begin van de les.

Wat was jouw belangrijkste koopmotief?
prijs – kwaliteit – gemak – uitstraling – veiligheid – status – duurzaamheid – iets anders

Was jouw keuze vooral:
RATIONEEL of EMOTIONEEL
of:
EEN COMBINATIE?

Slide 21 - Slide

Tijdens zelfstandig werken

Voor basisleerlingen zou ik niet zeggen: “Markeer alles wat belangrijk is.” Dat wordt inderdaad vaak een halve gele bladzijde.

Geef liever deze instructie:

Markeer per stukje theorie maximaal drie belangrijke woorden.

En loop tijdens het werken langs met vragen als:

“Wat is hier het belangrijkste begrip?”
“Waar vind je het antwoord in de theorie?”
“Hoort dit bij voorbereiden, maken of presenteren?”
“Waarom is de doelgroep belangrijk?”
✍️Exitticket
Klant A

“Ik wil een nieuwe telefoon. Ik gebruik mijn telefoon veel voor foto's en ik wil dat hij lang meegaat. Het merk maakt mij niet zoveel uit.”

Schrijf:

1. Wat is de koopbehoefte?
2. Noem één belangrijk koopmotief.
3. Is deze klant vooral rationeel of emotioneel bezig? Waarom?

Slide 22 - Slide

Belangrijk

Dit is een oefenmoment, geen presentatiebeoordeling. Zo houd je de drempel voor deze groep laag.