BSM voorbereiding toets Trainingsleer

BSM voorbereiding toets Trainingsleer
1 / 21
next
Slide 1: Slide
Lichamelijke opvoedingMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

BSM voorbereiding toets Trainingsleer

Slide 1 - Slide

Wat is conditie
A
Uithoudingsvermogen
B
Energiek en Gezond voelen
C
Lichamelijk Prestatievermogen
D
Zegt iets over hoe sterk je bent

Slide 2 - Quiz

Wie heeft de beste conditie?
Max Verstappen
Sven Kramer
Usain Bolt
Maarten van der Weijden
Frenkie de Jong

Slide 3 - Poll

Tot de grondmotorische eigenschappen behoren:
A
lenigheid, coördinatie, uithoudingsvermogen, spieren, snelheid
B
lenigheid, coördinatie, kracht, snelheid, mentaal aspect
C
lenigheid, coördinatie, uithoudingsvermogen, kracht, snelheid
D
lenigheid, coördinatie, uithoudingsvermogen, kracht, mentaal aspect

Slide 4 - Quiz

Hoe kun je je conditie meten?
A
Mopertest
B
Shuttleruntest
C
Antropometrische test
D
Eurofittest

Slide 5 - Quiz

Energie is het vermogen om arbeid te leveren
A
waar
B
niet waar

Slide 6 - Quiz

De energie die vrijkomt bij het afbraakproces van voedsel wordt opgeslagen als chemische in de spiercellen
A
waar
B
niet waar
C
alleen als het nodig is

Slide 7 - Quiz

De chemische energie uit voedsel wordt opgeslagen als ATP in de spiercellen. 

Slide 8 - Slide

Hoe luidt de formule waarbij chemische energie wordt omgezet in mechanische?
ATP >.......................(vul alleen dit deel in van de formule)

Slide 9 - Open question

Ons lichaam heeft 3 energiesysteem om de ATP die gebruikt wordt om te bewegen weer aan te vullen.

Slide 10 - Slide

welk energiesysteem wordt aangeduid met 1?
A
Citroenzuurcyclus
B
Conjuctuurbeweging
C
Zuurstofsysteem
D
Melkzuursysteem

Slide 11 - Quiz

Fosfaatsysteem
Anaerobe systeem
Aerobe systeem

Slide 12 - Drag question

De rode lijn in de grafiek staat voor
A
Suikerverbranding
B
Eiwitverbranding
C
Vetverbranding

Slide 13 - Quiz

Als je hart niet sneller meer kan kloppen, dan zit je op de anaerobe drempel
A
waar
B
niet waar

Slide 14 - Quiz

De steady state is een andere benaming voor anaerobe drempel
A
waar
B
niet waar

Slide 15 - Quiz

Door melkzuurwaarde in bloed te meten tijdens inspanning kun je de anaerobe drempel bepalen
A
Niet waar
B
waar

Slide 16 - Quiz

Als een sporter hier begint met zijn training dan
A
Wordt hij sterker
B
Zit hij in in opklimmende belasting
C
Traint hij volgens het principe individualiteit
D
Raakt hij overtraind

Slide 17 - Quiz

F.I.T.T. staat voor
A
Fit, Interval, Training , Type activiteit
B
Frequentie, Intensiteit, Trainingsduur, Type activiteit
C
Frequentie, Interval, Trainingtype, Talent
D
Fit, Input, Training, Tijdsduur

Slide 18 - Quiz

Een training waarbij interval en duurtraining worden afgewisseld is een
A
Fartlektraining
B
Intervaltraining
C
Herhalingstraining
D
Tempotraining

Slide 19 - Quiz

Een kogelstoter zal in verhouding
A
Meer rode spiervezels hebben
B
Meer witte spiervezels hebben
C
Meer krachtuithoudings vermogen hebben
D
Minder Creatinefosfaat in de spier hebben.

Slide 20 - Quiz

timer
0:40
Overload
Herstel
Reversibiliteit 
Homeostage
Supercompensatie

Slide 21 - Drag question