les 5 vragen 8.3 en herhaling

les 5 vragen 8.3 en herhaling

periode 3 VWO 5

1 / 26
next
Slide 1: Slide
New lesson editorArtSecondary Education

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

les 5 vragen 8.3 en herhaling

periode 3 VWO 5

Wat weet je nog van de vorige les?

  1. Constructivisme is een stroming in de beeldende kunst, architectuur en het industrieel design die ontstaat in de Sovjet-Unie na de Russische Revolutie.
    Welke drie algemene kenmerken passen bij het constructivisme?

A

Decoratie, individualisme en ambacht

B

Toegepaste kunst, industriële materialen en geometrische vormen

C

Symboliek, spiritualiteit en emotionele expressie

D

Natuurgetrouwe weergave, perspectief en ornament

  1. De filmmaker Eisenstein ontwikkelt de attractiemontage.
    Wat is het doel van deze manier van monteren?

A

Het creëren van een vloeiend en realistisch verhaal

B

Het oproepen van emotie door muziek

C

Het activeren van de kijker om zelf betekenis te geven aan beelden

D

Het verbergen van politieke boodschappen

  1. De spelopvattingen van Stanislavski verschillen sterk van die van Meyerhold.
    Wat is een belangrijk verschil tussen hun theateropvattingen?

A

Stanislavski doorbreekt de vierde wand, Meyerhold niet

B

Stanislavski streeft naar inleving en realisme, Meyerhold naar vervreemding

C

Stanislavski gebruikt abstracte decors, Meyerhold realistische

D

Stanislavski werkt collectief, Meyerhold individueel

  1. Het Nieuwe Bouwen is een verzamelnaam voor moderne bouwstijlen in Nederland.
    Welke drie kenmerken horen bij het Nieuwe Bouwen?

A

Versiering, symmetrie en natuursteen

B

Functionaliteit, industriële materialen en zichtbare constructie

C

Historische verwijzingen, ornament en hiërarchie

D

Ambacht, decoratie en traditie

  1. De Rood-blauwe stoel (De Stijl) en de Wassilystoel (Bauhaus) worden vaak met elkaar vergeleken.
    Wat is een belangrijk verschil tussen deze twee stromingen?

A

Het Bauhaus is socialer en meer gericht op serieproductie dan De Stijl

B

De Stijl richt zich sterker op massaproductie dan het Bauhaus

C

De Stijl gebruikt industriële materialen, het Bauhaus niet

D

Het Bauhaus werkt uitsluitend met vrije kunst

  1. Frank Lloyd Wright en Le Corbusier ontwikkelen ieder een visie op de stad van de toekomst.
    Wat is een verschil tussen hun opvattingen?

A

Wright kiest voor hoogbouw, Le Corbusier voor laagbouw

B

Wright werkt industrieel, Le Corbusier ambachtelijk

C

Wright ontwerpt alleen woningen, Le Corbusier alleen steden

D

Wright benadrukt individualiteit en spreiding, Le Corbusier concentratie en collectiviteit

  1. In The Wizard of Oz wordt benadrukt dat Oz een fantasiewereld is.
    Waardoor wordt dit visueel duidelijk gemaakt?

A

Door onnatuurlijke kleuren, schaalverhoudingen en kunstmatige achtergronden

B

Door realistische decors en natuurlijke kleuren

C

Door documentaire cameravoering

D

Door historische kostuums

  1. Streamline-ontwerpen lijken functioneel, maar staan haaks op het principe form follows function.
    Waarom is streamline vaak niet functioneel?

A

Omdat het te duur is om te produceren

B

Omdat het vooral decoratief is en snelheid suggereert waar die geen functie heeft

C

Omdat het geen moderne materialen gebruikt

D

Omdat het niet machinaal te maken is

  1. Streamline-ontwerpen lijken functioneel, maar staan haaks op het principe form follows function.
    Waarom is streamline vaak niet functioneel?

A

Omdat het te duur is om te produceren

B

Omdat het vooral decoratief is en snelheid suggereert waar die geen functie heeft

C

Omdat het geen moderne materialen gebruikt

D

Omdat het niet machinaal te maken is

  1. Fritz Lang, Bertolt Brecht en Charlie Chaplin tonen elk een negatief maatschappijbeeld.
    Wat hebben hun werken gemeen?

A

Ze verheerlijken industrialisatie

B

Ze leveren kritiek op de gevolgen van industrialisatie en kapitalisme

C

Ze richten zich uitsluitend op de elite

D

Ze tonen een optimistische toekomst

  1. In Modern Times maakt Chaplin industrialisatie belachelijk door overdrijving.
    Welke situatie draagt daaraan bij?

A

De lopende band draait in een onmenselijk hoog tempo

B

De arbeiders bepalen zelf het tempo

C

Machines werken zelfstandig

D

De arbeiders hebben veel pauze

  1. De nazi’s hebben een tegenstrijdige houding tegenover moderniteit.
    Welke combinatie is juist?

A

Ze omarmen abstracte kunst en verwerpen film

B

Ze verwerpen alle moderne cultuur

C

Ze steunen jazz als volksmuziek

D

Ze gebruiken moderne media als film, maar wijzen avant-gardekunst af