Arbeidsmarkt en werkloosheid (Economie vwo), les 1: Uitleg

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Examenstof economie vwo

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg van arbeidsaanbod, arbeidsvraag, vacatures, werkloosheid, loonontwikkeling, flexwerk en zzp, en van structurele (incl. frictie) en conjuncturele werkloosheid, met rekenvoorbeelden met ronde getallen.

Items in this lesson

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Arbeidsmarkt en werkloosheid

Examenstof economie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: H5 (5.1-5.3). Image credit: Rob Bogaerts / Anefo / Nationaal Archief, Wikimedia Commons, CC0

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Wat ga je kunnen?

Ik kan de arbeidsmarkt met begrippen beschrijven, werkloosheid en loonontwikkeling berekenen en structurele (incl. frictie) en conjuncturele werkloosheid onderscheiden.

This item has no instructions

Welke woorden komen bij je op bij werk, banen en werkloosheid?

Verwacht: baan, vacature, sollicitatie, uitzendbureau, zzp, uitkering, loon, werkloos. Groepeer in vraag naar arbeid (bedrijven) en aanbod van arbeid (mensen). Die twee kanten werken we door, samen met de soorten werkloosheid uit H5. Alle getallen in de les zijn verzonnen rekenvoorbeelden.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Bouwvakker bij de renovatie van Amsterdam Centraal, 2012

De arbeidsmarkt

  • Op de arbeidsmarkt vragen bedrijven arbeid en bieden mensen arbeid aan.

  • Het arbeidsaanbod is de beroepsbevolking: de werkenden en de werklozen samen.

  • De arbeidsvraag is de werkgelegenheid (bezette banen) plus de openstaande vacatures.

  • Een vacature is een openstaande baan: de werkgever zoekt nog iemand.

Syllabus 5.1: arbeidsaanbod (= beroepsbevolking), arbeidsvraag (werkgelegenheid + openstaande vacatures), vacatures. De beroepsbevolking omvat iedereen die werkt of werk zoekt. Veelgemaakte fout: de arbeidsvraag gelijkstellen aan de werkgelegenheid en de vacatures vergeten, of het arbeidsaanbod gelijkstellen aan alleen de werklozen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Werkloosheid berekenen

  • Werklozen = beroepsbevolking min werkenden. Wie werkt of werk zoekt, zit in de beroepsbevolking.

  • Werkloosheidspercentage = werklozen : beroepsbevolking x 100%. Je deelt dus niet door de werkenden.

  • Jaar 1 (x 1.000): beroepsbevolking 9.000, werkenden 8.550, vacatures 150. Werklozen 450, dus 5%.

  • Arbeidsvraag in jaar 1: 8.550 + 150 = 8.700. Het arbeidsaanbod (9.000) is groter dan de arbeidsvraag.

  • Het verschil is 300: dat is arbeidsaanbod min arbeidsvraag, en ook werklozen min vacatures (450 - 150).

Controle: 9.000 - 8.550 = 450; 450 : 9.000 = 0,05; 8.550 + 150 = 8.700; 9.000 - 8.700 = 300 en 450 - 150 = 300. Algebra: aanbod - vraag = (werkenden + werklozen) - (werkenden + vacatures) = werklozen - vacatures. De getallen zijn verzonnen. Veelgemaakte fout: delen door het aantal werkenden in plaats van door de beroepsbevolking.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Twee jaar vergelijken

  • Jaar 2 (x 1.000): beroepsbevolking 9.600, werkenden 9.024, vacatures 120.

  • Werklozen: 9.600 - 9.024 = 576. Percentage: 576 : 9.600 x 100% = 6%.

  • Het werkloosheidspercentage stijgt van 5% naar 6%: dat is 1 procentpunt erbij.

  • Procentueel is de stijging 1 : 5 x 100% = 20%. Procentpunt en procentuele verandering zijn niet hetzelfde.

  • Het aantal werklozen steeg van 450 naar 576, maar ook de beroepsbevolking groeide: let op de noemer.

Controle: 9.600 - 9.024 = 576; 576 : 9.600 = 0,06; procentpunt 6 - 5 = 1; procentueel 1 : 5 = 20%. Werklozen +126 (28%), beroepsbevolking +600 (6,7%). Arbeidsvraag jaar 2: 9.024 + 120 = 9.144. Veelgemaakte fout: de stijging van het percentage als 1% opschrijven.

Zet de stappen voor het werkloosheidspercentage op volgorde

1

Werklozen delen door de beroepsbevolking

2

Gegevens opzoeken

3

Uitkomst keer 100% doen

4

Werklozen: beroepsbevolking min werkenden

Volgorde: gegevens, werklozen, delen, keer 100%. Verwachte fout: eerst delen en dan pas het aantal werklozen bepalen.

Wat hoort bij de arbeidsvraag van een land?

A

Werkenden plus werklozen

B

Werklozen plus openstaande vacatures

C

Alleen de bezette banen

D

Werkgelegenheid plus openstaande vacatures

Arbeidsvraag = werkgelegenheid + openstaande vacatures. Werkenden plus werklozen is het arbeidsaanbod. Verwachte fout: alleen de bezette banen.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Loonontwikkeling

  • Loonontwikkeling is de procentuele verandering van het loon over een periode.

  • Voorbeeld: uurloon van 24 naar 25,20 euro: 1,20 : 24 x 100% = 5% loonontwikkeling.

  • Je rekent met het beginloon als basis: dus delen door 24, niet door 25,20.

  • Bij een krappe arbeidsmarkt (weinig werklozen, veel vacatures) stijgen de lonen vaak sneller.

  • Bij hoge werkloosheid is er veel aanbod van arbeid en stijgen de lonen vaak langzamer.

Syllabus 5.1: loonontwikkeling. Controle: 25,20 - 24 = 1,20; 1,20 : 24 = 0,05. Krapte is een vuistregel, geen wet: lonen worden ook door andere zaken bepaald. Nominaal en reeel komen in latere onderwerpen. Veelgemaakte fout: delen door het nieuwe loon.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Uitzendbureau ASB in Nijmegen, 1988

Flexwerk

  • Flexwerk is werk zonder vast contract: tijdelijk contract, uitzendkracht of oproepkracht.

  • Een uitzendkracht werkt via een uitzendbureau; een oproepkracht werkt alleen als het bedrijf belt.

  • Werkgever: flexwerk is wendbaar, bij drukte neem je meer mensen en bij rust minder.

  • Werknemer: een vast contract geeft meer zekerheid over werk en inkomen dan flexwerk.

Syllabus 5.1: flexwerk en zzp. Flexwerkers zijn werknemers met een onzeker of tijdelijk contract. Veelgemaakte fout: flexwerk alleen als nadeel zien; voor sommige werknemers is het juist een bewuste keuze. Image credit: Anton van Roekel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Zzp

  • Zzp staat voor zelfstandige zonder personeel: iemand die voor eigen rekening en risico werkt.

  • Een zzp'er is geen werknemer en heeft geen werkgever, maar krijgt betaald per opdracht.

  • Een zzp'er telt wel mee als werkende, dus in de beroepsbevolking en in het arbeidsaanbod.

  • De opdrachtgever hoeft geen vast contract te bieden; de zzp'er draagt zelf het risico op minder opdrachten.

  • Flexwerker: werknemer met een onzeker contract. Zzp'er: ondernemer zonder personeel. Dat is niet hetzelfde.

Syllabus 5.1: flexwerk en zzp. Een zzp'er werkt zelfstandig en telt mee in de werkenden. Veelgemaakte fout: zzp'ers en uitzendkrachten door elkaar halen.

Voordeel van flexwerk voor een werkgever?

Goed antwoord: wendbaarheid, het personeel past zich aan de drukte aan, of ontslag is minder kostbaar. Verwachte fout: een voordeel voor de werknemer noemen.

Een bedrijf huurt voor drukke weken mensen in via een uitzendbureau. Wat is dat?

A

Een vast contract

B

Flexwerk

C

Werkloosheid

D

Zzp

Een uitzendkracht heeft een tijdelijk contract: flexwerk. Verwachte fout: zzp kiezen omdat het bedrijf de mensen niet zelf in dienst heeft.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Containerterminal in de haven van Rotterdam, 1973

Structurele werkloosheid

  • Structurele werkloosheid blijft bestaan, ook als de economie goed draait.

  • Vraag en aanbod op de arbeidsmarkt sluiten niet goed op elkaar aan.

  • Frictiewerkloosheid hoort erbij: zoektijd tussen twee banen of na je opleiding.

  • Er zijn dus tegelijk werklozen en vacatures: ze vinden elkaar niet meteen of niet helemaal.

Syllabus 5.2: structurele werkloosheid, waaronder frictiewerkloosheid. Frictie is dus een onderdeel van de structurele werkloosheid, geen aparte soort ernaast. De foto toont een haven waar banen door mechanisatie verschoven zijn. Veelgemaakte fout: frictiewerkloosheid zien als iets tegenovergestelds aan structurele werkloosheid. Image credit: Nationaal Archief, Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij / Wikimedia Commons, CC0

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Zelfscankassa's in een supermarkt in het Verenigd Koninkrijk, 2008

Verklaringen: voorbeelden

  • Mismatch: werklozen hebben een andere opleiding of wonen elders dan de vacatures vragen.

  • Technologie: zelfscankassa's en robots nemen banen over, nieuwe banen vragen andere vaardigheden.

  • Zoektijd en informatie: werklozen en werkgevers kennen elkaars mogelijkheden niet meteen.

  • Omscholing en betere informatie kunnen dit soort werkloosheid verkleinen.

Syllabus 5.3 noemt verklaringen voor structurele en frictiewerkloosheid maar werkt ze niet verder uit. Dit zijn voorbeelden om de begrippen te kunnen toepassen, geen aparte lijst om te leren. Veelgemaakte fout: denken dat de arbeidsmarkt in evenwicht is zodra er vacatures zijn. Image credit: pin add / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Conjuncturele werkloosheid

  • Conjuncturele werkloosheid hangt samen met de conjunctuur: de golf van goede en slechte tijden.

  • In een laagconjunctuur kopen mensen en bedrijven minder, dus bedrijven hebben minder personeel nodig.

  • Dan ligt de werkloosheid boven het structurele niveau; dat extra deel is conjunctureel.

  • Voorbeeld: structurele werkloosheid 4%, werkloosheid in een laagconjunctuur 6,5%: conjunctureel 2,5 procentpunt.

  • Herstelt de economie, dan verdwijnt het conjuncturele deel; de structurele werkloosheid blijft.

Syllabus 5.2: conjuncturele werkloosheid. Controle: 6,5 - 4 = 2,5 procentpunt. De uitwerking met conjunctuur en output gap volgt in een later onderwerp van domein I; hier alleen het onderscheid. Veelgemaakte fout: alle werkloosheid in slechte tijden conjunctureel noemen, terwijl een deel structureel blijft.

Wat is een kenmerk van structurele werkloosheid?

A

Ze blijft bestaan, ook in goede economische tijden

B

Ze verdwijnt vanzelf bij herstel van de economie

C

Ze ontstaat alleen door zoektijd tussen twee banen

D

Ze komt alleen voor in een laagconjunctuur

Structurele werkloosheid blijft ook als het goed gaat. Zoektijd is alleen frictie, een onderdeel. Verwachte fout: het kenmerk van conjuncturele werkloosheid kiezen.

Vul in

Zoektijd tussen twee banen geeft frictiewerkloosheid, die tot de structurele werkloosheid hoort, ook als de economie goed draait.

frictiewerkloosheid
structurele werkloosheid
conjuncturele werkloosheid
flexwerk

Frictiewerkloosheid is een onderdeel van de structurele werkloosheid. Verwachte fout: conjuncturele werkloosheid invullen.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Werkloosheid en arbeidsvraag berekenen

2

Procentpunt en procentuele verandering

3

Flexwerk en zzp

4

Soorten werkloosheid

Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.

Welke soort werkloosheid zie jij om je heen? Leg uit.

Goed antwoord: een voorbeeld (bijvoorbeeld iemand tussen twee banen of een baan die verdwijnt door technologie) met de juiste soort en een reden. Verwachte fout: alleen 'werkloosheid' zeggen zonder soort.

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Begrippen (1/2)

  • arbeidsaanbod: De beroepsbevolking: alle werkenden en werklozen samen.

  • arbeidsvraag: Werkgelegenheid plus openstaande vacatures.

  • vacature: Een openstaande baan waarvoor een werkgever nog iemand zoekt.

  • werkloosheidspercentage: Werklozen : beroepsbevolking x 100%.

  • loonontwikkeling: De procentuele verandering van het loon over een periode.

This item has no instructions

WELVAART · ARBEIDSMARKT

Begrippen (2/2)

  • flexwerk: Werk zonder vast contract: tijdelijk, uitzend of op oproep.

  • zzp: Zelfstandige zonder personeel: werkt voor eigen rekening en risico.

  • structurele werkloosheid: Werkloosheid die blijft bestaan als de economie goed draait; omvat de frictiewerkloosheid.

  • frictiewerkloosheid: Tijdelijke werkloosheid door zoektijd tussen twee banen.

  • conjuncturele werkloosheid: Het deel van de werkloosheid boven het structurele niveau, door een laagconjunctuur.

This item has no instructions