Zinnen maken (chapitre 3)

Des phrases
Comment faire une phrase en français?
1 / 13
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-3

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Des phrases
Comment faire une phrase en français?

Slide 1 - Slide

Les buts du cours
  • Ik kan een eenvoudige Franse zin maken door werkwoordsvormen en woorden achter elkaar te zetten. 
  • Ik kan een eenvoudige Franse zin maken, waarbij ik het onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp en eventueel een BWB op de juiste plaats zet. 
  • Ik controleer hoeveel woorden van chapitre 3 ik al ken.

Slide 2 - Slide

Zinsvolgorde in het Frans
In het Frans gebruik je altijd deze vaste zinsvolgorde: 

Onderwerp + gezegde        + lijdend voorwerp

Voorbeeld: Ik ben een docent.
Exemple: Je suis un prof.
Dit zijn alle werkwoorden in de zin.

Slide 3 - Slide

Hoe wordt de Franse zin? Zet de woorden op de juiste plek.

Ik hou niet van computerspellen.
je
n'aime pas
les jeux vidéos

Slide 4 - Drag question

Hoe wordt de Franse zin? Zet de woorden op de juiste plek.

Begin je om acht uur?
commences
à
tu
huit heures

Slide 5 - Drag question

Zinsvolgorde in het Frans (2)
Je kunt ook een bijwoordelijke bepaling van tijd gebruiken in een zin.
Deze staat vooraan en/of achteraan in de zin. 
Hiermee geef je aan wanneer iets gebeurt. 
Bijvoorbeeld: 
'S ochtends ben ik naar school gegaan. 

LET OP: na de bijwoordelijke bepaling van tijd begin je de zin met je onderwerp. Dus: 

'S ochtends ik ga naar school.
Le matin, je vais à l'école.

Slide 6 - Slide

Hoe wordt de Franse zin? Zet de woorden op de juiste plek.

's Middags heb ik mijn voetbaltraining.
l'après-midi
j'
ai
mon
entrainment
de
foot

Slide 7 - Drag question

Hoe wordt de Franse zin? Zet de woorden op de juiste plek.

Op woensdag ben ik om twaalf uur vrij.
le mercredi
je
suis
libre
à 
midi

Slide 8 - Drag question

Zinsvolgorde in het Frans (3)
Je kunt ook een vraagwoord gebruiken in een zin. 
Deze staat altijd vooraan aan in de zin.
Bijvoorbeeld: 
Qu'est-ce que tu fais comme sport?

LET OP hoe je deze vertaalt: (het moet wel een vraag blijven)
Wat doe je als sport?

Slide 9 - Slide

Vertaal de zin:
Wat is jouw lievelingsvak?
A
Quelle est ta matière préférée?
B
Quelle ta matière préférée est?
C
Ta matière préférée est quelle?

Slide 10 - Quiz

Vertaal de volgende zin:
Is de leraar geschiedenis grappig?
AIDE
Denk eraan:
Onderwerp - persoonsvorm - rest van de zin.

Slide 11 - Open question

Vertaal de volgende zin:
Wat heb jij als hobby?

Slide 12 - Open question

Slide 13 - Slide