Zinsontleding Kapitel 3 Lektion 1 2Havo

Zinsontleding

(2Havo, Kapitel 3, Lektion 1, S. 102)
1 / 40
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

This lesson contains 40 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

Items in this lesson

Zinsontleding

(2Havo, Kapitel 3, Lektion 1, S. 102)

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Video

Stappenplan:
1. Zoek het gezegde => alle werkwoorden in de zin
2. Zoek het onderwerp: 1e naamval
                   -wie / wat + gezegde
                    -hij
2. Zoek het lijdend voorwerp: 4e naamval
                   -wie / wat + gezegde + onderwerp
                    -hem

Slide 7 - Slide

1e of 4e naamval?
Ich möchte den Schokoladenkuchen probieren.
"Schokoladenkuchen"
A
1e
B
4e

Slide 8 - Quiz

1e of 4e naamval?
Die Pizza schmeckt sehr gut.
"Pizza"
A
1e
B
4e

Slide 9 - Quiz

1e of 4e naamval?
Kaufst du den Käse auf dem Markt?
"Käse"
A
1e
B
4e

Slide 10 - Quiz

1e of 4e naamval?
Diesen Hamburger kannst du nicht mehr essen.
"Hamburger"
A
1e
B
4e

Slide 11 - Quiz

1e of 4e naamval?
Wir können dieses Steak mit Pfeffersauce bestellen.
"Steak"
A
1e
B
4e

Slide 12 - Quiz

1e of 4e naamval?
Welche Vorspeise findest du lecker?
"Vorspeise"
A
1e
B
4e

Slide 13 - Quiz

1e of 4e naamval?
David mag keinen Apfelsaft.
"David"
A
1e
B
4e

Slide 14 - Quiz

Arbeitsbuch Seite 102-104
1. Bekijk het schema nog eens goed
2. Maak Aufgabe 8 + 9 + 10 in je werkboek
Markeer in elke zin ook het gezegde
-> We kijken over 10 minuten na

timer
10:00

Slide 15 - Slide

De der-groep en de ein-groep in de 1e en 4e naamval

Slide 16 - Slide

B: 1e & 4e naamval - ein-groep
                                         1e naamval                       4e naamval
mannelijk                    ein Musikraum               einen Musikraum
vrouwelijk                   eine Bibliothek               eine Bibliothek
onzijdig                       ein Klassenzimmer       ein Klassenzimmer
meervoud                   keine Sporthallen         keine Sporthallen

-> mein- (mijn), dein-(jouw), sein-(zijn), ihr-(haar), unser-(onze), 
euer/eure (jullie), ihr-(hun), Ihr-(uw)

Slide 17 - Slide

A: 1e & 4e naamval - der-groep
                                         1e naamval                       4e naamval
mannelijk                     der Musikraum              den Musikraum
vrouwelijk                    die Bibliothek                 die Bibliothek
onzijdig                        das Klassenzimmer     das Klassenzimmer
meervoud                   die Sporthallen              die Sporthallen

->dies- (deze/dit), jed-(elk), manch- (sommig), solch- (zulk), all- (alle), welch- (welk)

Slide 18 - Slide

De bepaalde lidwoorden en dies-, jed-, jen-, manch-, solch- etc. horen bij de ....
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 19 - Quiz

De onbepaalde lidwoorden en mein-, dein, sein-, unser- etc. horen bij de ....
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 20 - Quiz

Bekijk schema van de der-Gruppe ( Textbuch Seite 104). Bij welke geslacht zijn de vormen van de 1e en 4e naamval niet hetzelfde?

Slide 21 - Open question

Wat valt je in het schema van de ein-Gruppe (Textbuch Seite 104) op aan de 1e naamval mannelijk en de 1e en 4e naamval onzijdig?

Slide 22 - Open question

Stappenplan
1. Bepaal of het woord bij de der-groep of ein-groep hoort
2. Bepaal of het woord mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud is
3. Bepaal de naamval (hij/hem regel of de vragen)

Slide 23 - Slide

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Wagen (m) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Wagen (m) sehr.

Slide 24 - Open question

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Katze (v) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Katze (v) sehr.

Slide 25 - Open question

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Kind (o) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Kind (o) sehr.

Slide 26 - Open question


1e naamval = ....... (meerdere antwoorden zijn mogelijk)
A
hem(haar)
B
hij(zij)
C
onderwerp
D
lijdend voorwerp

Slide 27 - Quiz


4e naamval = ...........
(meerdere antwoorden zijn mogelijk)
A
hem(haar)
B
hij(zij)
C
onderwerp
D
lijdend voorwerp

Slide 28 - Quiz

Geef aan wat 1e en 4e naamval is in de zin: "Ich habe das Kind nicht gesehen."
A
Ich = 1e naamval
B
das Kind = 4e naamval
C
Ich = 4e naamval
D
das Kind = 1e naamval

Slide 29 - Quiz

Vul der, die, das of den in.
_____ Apfel (m) ist sehr lecker.
A
Die
B
Der
C
Den
D
Das

Slide 30 - Quiz

Vul der, die, das of den in.
..... Käse (m) schmeckt mir heute so gut.
A
Der
B
Die
C
Den
D
Das

Slide 31 - Quiz

Vul der, die, das of den in.
Ich nehme ...... Hamburger. (m)
A
der
B
die
C
den
D
das

Slide 32 - Quiz

Vul der, die, das of den in.
Ich möchte gern ......... Fruchteis.
A
der
B
die
C
den
D
das

Slide 33 - Quiz

Vul in ein, eine of einen.
______ Tee (m) macht dich im Winter wieder warm.
A
Eine
B
Ein-
C
Einen

Slide 34 - Quiz

Vul in ein, eine of einen.
Möchtest du ___________ Apfelsaft (m) trinken?
A
eine
B
ein-
C
einen

Slide 35 - Quiz

Vul in ein, eine of einen.
Wir nehmen _____ Cola. (v)
A
eine
B
ein-
C
einen

Slide 36 - Quiz

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Wagen (m) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Wagen (m) sehr.

Slide 37 - Open question

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Katze (v) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Katze (v) sehr.

Slide 38 - Open question

Vertaal bezittelijk voornaamwoord met de juiste uitgang:

- (Mijn) ...Kind (o) is sehr schön.
- Ich liebe (mijn) .... Kind (o) sehr.

Slide 39 - Open question

Ik vind zinsontleding in het Duits
A
Makkelijk
B
Moeilijk
C
Ik snap er niets van
D
Moeilijk, maar als ik oefen komt het goed!

Slide 40 - Quiz