Hoe kan de staat als beschermer van de negatieve vrijheid botsen met de positieve vrijheid van het individu?
De staat botst met positieve vrijheid door negatieve vrijheid te beschermen: de staat beperkt de vrijheid van individuen om te interageren en hun eigen leven te leiden (negatieve vrijheid), terwijl individuen het vermogen en de middelen nodig hebben om hun eigen doelen te realiseren en hun potentieel te ontwikkelen (positieve vrijheid). Een staat die teveel negatieve vrijheid garandeert door te weinig regulering, kan bijvoorbeeld de kansen voor achtergestelde groepen beperken, waardoor hun positieve vrijheid afneemt.
Negatieve vrijheid (afwezigheid van externe belemmeringen)
Rol van de staat: Beschermt individuen tegen inmenging van anderen en de staat zelf.
Voorbeelden: Vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid, het recht op privacy.
Positieve vrijheid (het vermogen om te handelen)
Rol van de staat: De staat kan individuen in staat stellen hun volledige potentieel te bereiken door hen te voorzien van >>> .
>>> middelen en mogelijkheden.
Voorbeelden: Onderwijs, gezondheidszorg, een sociaal vangnet.
Het conflict
Beperkingen door staatstaken:
Om negatieve vrijheid te waarborgen, moet de staat soms actieve stappen ondernemen. Het beschermen van eigendomsrechten vereist bijvoorbeeld belastingen, wat een beperking van de economische negatieve vrijheid is.
Conflicten tussen de twee:
Een staat die probeert positieve vrijheid te bevorderen door middel van herverdeling of wetgeving, kan de negatieve vrijheid van anderen inperken. Denk aan de verplichting van studeren voor iedereen, wat de negatieve vrijheid van de student beperkt, maar de positieve vrijheid juist vergroot.
Balans vinden:
Het vinden van een balans tussen deze twee vormen van vrijheid is een constante uitdaging voor beleidsmakers.