ontleden + voorbereiden 3e naamval

Willkommen in dieser Stunde.
 
Na dit uur weet je of je: 
* of je (nog) kan ontleden,  
* moet je de pv, ow, lv en het mw in een zin  kunnen vinden
*ga je alvast bestuderen wat er dan in het Duits bij het mw verandert
* heb je je kennis van de werkwoorden weer opgefrist


1 / 25
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

Items in this lesson

Willkommen in dieser Stunde.
 
Na dit uur weet je of je: 
* of je (nog) kan ontleden,  
* moet je de pv, ow, lv en het mw in een zin  kunnen vinden
*ga je alvast bestuderen wat er dan in het Duits bij het mw verandert
* heb je je kennis van de werkwoorden weer opgefrist


Slide 1 - Slide

6

Slide 2 - Video

00:29
Hoe vind je het onderwerp van een zin?

Slide 3 - Open question

00:35
En? wist je dit nog?
A
jazeker
B
nee, ik was het helemaal kwijt

Slide 4 - Quiz

00:59
Welke vraag wordt hier bedoeld?

Slide 5 - Open question

01:03
En? wist je dit nog?
A
jazeker
B
nee, dit was ik echt vergeten

Slide 6 - Quiz

01:34
Welke vraag wordt er nu bedoeld?

Slide 7 - Open question

01:48
Welke vraag had jij ingevuld?
A
de 1e vraag
B
de 2e vraag
C
Dit wist ik helemaal niet meer

Slide 8 - Quiz

Nu zelf een paar zinnen ontleden
Als je het niet meer weet, kun je de video nog eens afspelen

Slide 9 - Slide

Wat is in deze zin de persoonsvorm?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk

A
...(mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 10 - Quiz

Wat is in deze zin het onderwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk

A
...(mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 11 - Quiz

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
... (mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 12 - Quiz

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
... (mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 13 - Quiz

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 14 - Quiz

Wat is in deze zin de persoonsvorm?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 15 - Quiz

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 16 - Quiz

Wat is in deze zin het onderwerp?
Der Mann schreibt seinen Eltern einen Brief
A
Der Mann
B
seinen Eltern
C
schreibt
D
einen Brief

Slide 17 - Quiz

vervolgopdracht
Voordat je de vervolgopdracht gaat maken, 
ga je online bij  NA Klar de volgende opdrachten maken: 
Kapitel 3 Lektion 4 Aufgabe 8, 9, 10 (ontleden) en 11 (ww) 
De vervolgopdracht is de video veder afkijken en bestuderen voor de volgende les

Slide 18 - Slide

4

Slide 19 - Video

02:30
Dit wist je uiteraard nog
A
klopt! :)
B
eerlijk gezegd, wist ik dit niet meer :(

Slide 20 - Quiz

02:52
welke verschillen zie je nu bij de 1e en de 3e naamval?

Slide 21 - Open question

03:03
welke woorden horen er naast der/die/das
ook nog bij de der-groep?

Slide 22 - Mind map

03:10
Wist je de verschillende woorden bij de der- en de ein-groep nog?
A
ja beide groepen
B
nee, geen van beide groepen
C
alleen de woorden van de der-goep
D
alleen de woorden van de ein-groep

Slide 23 - Quiz

Vervolgopdracht
Voor de volgende les moet je dit filmpje bekeken hebben en weten wat er met de lidwoorden in de derde naamval gebeurt.
Je hebt weer opgefrist wat het verschil is tussen de 1e en 4e naamval en welke woorden er bij de der- en de ein-groep horen

Slide 24 - Slide

Dank voor je aandacht en graag tot volgende week!

Blijf de woordjes en zinnen bijhouden met leren. De link van deze les staat in de klas bij LessonUp. Dan kan je het nog eens terugkijken.

Heel veel succes met alles en blijf vooral gezond! 

Slide 25 - Slide