JIJ Toets -2F

Bereken de toename?
A
+
B
-
C
:
D
x
1 / 39
next
Slide 1: Quiz
RekenenISK

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Bereken de toename?
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 1 - Quiz

This item has no instructions

Bereken de korting?
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

De temperatuur is gestegen.
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het verschil?
48 en 53

Slide 4 - Open question

This item has no instructions

daling
A
+
B
-
C
:
D
x

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

2 taarten. Ik geef 1/3 weg en er is 1 1/3 verkocht. Hoeveel is er nog?

Slide 6 - Open question

This item has no instructions


Vader, moeder, Lize (16) en Kees (12) gaan naar het museum. Lize heeft een CJP kaart. Hoeveel moeten ze in totaal betalen?
Noteer het bedrag.

Prijzen museum

Slide 7 - Open question

20 - Domein: verbanden (antwoorddia)
Leerlingen moeten hier verband leggen tussen wat er boven de tabel staat en wat er in de tabel staat. Dit onderdeel kent geen verschil ten opzichte van 2F. Het antwoord mag niet langer zijn dan twee decimalen, omdat het om geld gaat. Dit laatste is wel een verschil ten opzichte van opdrachten op niveau 2F.

Schrijf het getal elfhonderdveertig in cijfers.
5 - Domein: getallen

Slide 8 - Open question

Een 2F leerling moet dit ook kunnen, maar er is wel voor gezorgd dat dit getal geen losse eenheden heeft, en dat het niet een heel groot getal is.

De oorspronkelijke prijs van de fiets was € 975. Hoeveel kost de fiets tijdens de aanbieding?

20% korting!

Slide 9 - Open question

25 - Domein: verhoudingen
‘Rekenen met procenten’ kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F. Wel is het aan te raden om er bij een 2A toets  een afbeelding bij plaatsen zodat de opdracht voor de leerlingen herkenbaar en concreet is.


4 van de 5 mensen sport regelmatig.
Hoeveel procent is dat?

Slide 10 - Open question

27 - Domein: verhoudingen
De leerlingen dienen te weten dat 4 van de 5 hetzelfde is als 80%. In een 2A toets hoeven deze verhoudingen en percentages niet omgezet te worden naar een breukbewerking. Bij opdrachten op 2F  niveau moet dit wel.

200 ml limonade:
  • 180  ml water
  • 20 ml siroop
Je hebt 540 ml water.
Hoeveel ml siroop moet erbij om hier limonade van te maken? Typ het getal.

Slide 11 - Open question

41 - Domein: meten & meetkunde (antwoorddia)
Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F. Wel is het een vrij eenvoudige opdracht.

Hoeveel milliliter is 4 x 6 cl?
Noteer in ml.

Slide 12 - Open question

28 - Domein: meten & meetkunde
‘Maten omrekenen’ kent geen specifieke verschillen met 2F. De eenheden L, dl, cl, ml kunnen voorkomen in een 2A toets.


Er zijn in totaal 600 leerlingen. Hoeveel procent komt met de fiets naar school? Typ het getal.

Slide 13 - Open question

42 - Domein: verbanden (antwoorddia)
De leerling dient te weten dat 150 25% van 600 is. Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.
Hoeveel van dit soort boeken passen er in de hele kast?

Slide 14 - Open question

44 - Domein: meten & meetkunde (antwoorddia)
Deze opdracht kent wel degelijk een verschil ten opzichte van 2F. Er zijn weer afbeeldingen, inclusief afmetingen, bijgevoegd zodat de opdracht concreter en duidelijker wordt. De berekening daarna kent geen verschillen ten opzichte van  opdrachten op niveau 2F.
Hoeveel minuten is een
kwart van 2 uur?
timer
0:30

Slide 15 - Open question

This item has no instructions

Van welk product zou de roze grafiek kunnen zijn?
A
handschoenen
B
zwembroek
C
skistokken
D
truien

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions



Tekst
Cursus fotografie
Lesdag: dinsdag
Begint om 19:30 uur, 
duurt 2 uren en 15 min.



Hoe laat is de les op dinsdag afgelopen? 
Typ het tijdstip met een dubbele punt (bijvoorbeeld 20:30).

Slide 17 - Open question

19 - Domein: verhoudingen
‘Maten voor tijd, en rekenen met tijd’ kent geen verschillen ten opzichte van 2F.
Deze balk is 8 cm lang, 2 cm breed en 3 cm hoog.

Bereken de oppervlakte.
A
92 cm²
B
8,6 dm²
C
68 cm²
D
46 cm²

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

Handig rekenen
9,05 - 2,99 = ?
A
9,05 - 3 + 0,01
B
9,05 - 3,00 - 0,01
C
9,04 - 3,01
D
9,06 - 3

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

84% van de 125 leerlingen heeft de
wiskundetoets gehaald.
Hoeveel leerlingen hebben de toets gehaald?

Slide 20 - Open question

21 - Domein: verhoudingen
‘Rekenen met procenten’ kent geen verschillen ten opzichte van 2F.


Hoeveel houten blokjes passen maximaal in het krat?

Slide 21 - Open question

24 - Domein: meten & meetkunde
Ook dit is weer een mooi voorbeeld van een 2A opdracht. In de afbeeldingen staan de afmetingen van de objecten zodat het voor de leerlingen makkelijk is om te zien met welke getallen ze moeten rekenen. Deze afbeeldingen zouden op niveau 2F ontbreken, de informatie zou in de tekst worden verwerkt. Wel moeten de leerlingen hier dezelfde soort berekening uitvoeren als bij opdrachten op niveau 2F gangbaar is.
Je mag €1000,- rood staan bij de bank. Je hebt een saldotekort van €198,-. Wat kun je nog maximaal pinnen op deze rekening? (alleen kommagetal opschrijven)

Slide 22 - Open question

This item has no instructions


Hanna wil 32 mensen
op roze koeken trakteren.
Hoeveel pakken moet ze kopen?
         11 - Domein: getallen

Slide 23 - Open question

Als dit een 2F-opdracht zou zijn, zou de afbeelding er niet zijn, maar zou er in de tekst staan dat er 6 koeken in 1 pak zitten.
Rond 565 af op een honderdtal.
     14 - Domein: getallen

Slide 24 - Open question

De grafiek kan groter getoond worden.
 
In het rekenexamen 2A komen minder opgaven voor die om afronding vragen dan in een 2F toets. Wel moet er getoetst worden of een 2A leerling dit kan.
Wanneer daalt
de grafiek?

A
7:00-8:00
B
9:00-11:00
C
14:00-17:00
D
18:00-21:00

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions


Jellybeans:
0,5 kg voor 
€ 3,25

Max koopt 200 gram Jellybeans.
Hoeveel euro moet hij betalen?

Slide 26 - Open question

40 - Domein: meten & meetkunde
Leerlingen moeten weten dat 0,5 kg hetzelfde is als 500 g. Deze opdracht kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.


Fred krijgt 20% korting op alles. Hoeveel euro moet hij betalen?
Typ het getal.  

Slide 27 - Open question

43 - Domein: verhoudingen (antwoorddia)
Rekenen met procenten kent geen specifieke verschillen ten opzichte van 2F.
Welke formule hoort bij de grafiek?
A
Lening = 2200 + aantal maanden x 200
B
Lening = 2200 - aantal maanden x 200
C
Lening = 2200 + aantal maanden
D
Lening = 2200 - aantal maanden

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions


Welke zin is waar?
A
Deze tabel heeft 4 kolommen en 3 rijen.
B
Deze tabel heeft 3 kolommen en 4 rijen

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions


De pijltjes geven de
wind aan. In welke
richting waait die?
A
noord-west
B
zuid-oost
C
zuid-west
D
noord-oost

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

Je ziet dat je twee uur geleden een mailtje hebt ontvangen van je tante uit Sydney. Ze heeft deze om 19.00 uur lokale tijd verzonden. Je stuurt de mail meteen door naar je ouders die op vakantie zijn in New York.
Bekijk de tabel. Hoe laat is het bij je ouders wanneer je de mail doorstuurt?
Tabel
A
03:00 uur
B
05:00 uur
C
08:00 uur
D
11:00 uur

Slide 31 - Quiz

This item has no instructions

Marieke heeft 3 potten van 1 liter verf gekocht. Met 1 pot verf kan ze 8m² muur verven.

Heeft ze genoeg verf gekocht?
A
Ja, ze heeft zelfs een pot teveel.
B
Ja, ze heeft precies genoeg.
C
Nee, ze heeft 1 pot te weinig.
D
Nee, ze heeft 2 potten te weinig.

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

Je ziet de resultaten op een rekentoets van twee klassen.
Welke klas heeft gemiddeld het hoogst gescoord?


A
Klas A
B
Klas B
C
Ze hebben gelijk gescoord.

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

Een schapenkooi is 15 x 10 meter.

Hoeveel hek heeft de boer moeten
kopen om de kooi te maken?
A
50 m
B
150 m
C
200 m
D
250 m

Slide 34 - Quiz

Als je de grootte van iets uitspreekt zeg je vaak: (lengte) bij (breedte) meter. Dat schrijf je als ... x ... meter.
(klik op de afbeelding)

Welke dag heeft het grootste verschil tussen de minimum en maximum temperatuur?
A
zaterdag
B
zondag
C
maandag
D
dinsdag

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

Bekijk de afbeelding.

Welke van de vier kleine kubussen
kan hetzelfde zijn als de grote?
Afbeelding
A
kubus 1
B
kubus 2
C
kubus 3
D
kubus 4

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions


A
De 1e staartdeling is juist.
B
De 2e staartdeling is juist.
C
De 3e staartdeling is juist.
D
Geen van de staartdelingen is juist.

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions

1000m² = ....hm²
A
0,1
B
1
C
10
D
0,01

Slide 38 - Quiz

This item has no instructions

Zelfstandig werken.

Slide 39 - Slide

This item has no instructions