Van agrarisch naar industrieel: de start van de industriële revolutie tot 1800

Van agrarisch naar industrieel: de start van de industriële revolutie

1 / 38
next
Slide 1: Slide
New lesson editorGeschiedenisSecundair onderwijsAlgemeen secundair onderwijs,Technisch secundair onderwijsLeerjaar 4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Van agrarisch naar industrieel: de start van de industriële revolutie

Wat weet jij over het leven van een doorsnee persoon in 1700?

Leerdoel van deze les

Aan het einde van deze les kun je uitleggen hoe de industriële revolutie rond 1800 begon, welke oorzaken en gevolgen er waren en hoe dit contrasteert met het ancien régime.

Wat weet jij al?

Noteer minstens drie zaken die we nu al weten over het leven en werken rond 1700.

Drie zaken die je al weet over het leven rond 1700

Het ancien régime: het oude systeem

- Agrarische economie (landbouw)
- Er was veel huisnijverheid en ambachten waren belangrijk
- Beperkte mobiliteit; mensen bleven vaak op dezelfde plek wonen
- Standenmaatschappij (adel, geestelijkheid, derde stand)
- Traditie en lokale markten speelden een grote rol

Kenmerken van de samenleving

ancien régime – huisnijverheid – standen – traditie – lokale markt

Belangrijke begrippen

Hoe zag het dagelijks leven eruit?

De meeste mensen werkten op het platteland, woonden in dorpen, werkten samen in het gezin, en maakten spullen met de hand of eenvoudige werktuigen.

Beperkte economie en ruilhandel

Grootschalige handel bestond vooral uit lokale markten. Zelfvoorziening stond centraal, en productie was vooral voor eigen gebruik.

Verandering in zicht: Groot-Brittannië als voortrekker

Rond 1750 begon in Groot-Brittannië een periode van ingrijpende veranderingen. Waarom juist daar?

Waarom Groot-Brittannië?

Kernbegrippen

- Aanwezigheid van steenkool - Genoeg kapitaal (geld voor investeringen) - Veel arbeidskrachten - Technologische vernieuwingen en uitvindingen (zoals de stoommachine) - Ondernemende burgers

  • 2 of 3 regels plaats laten, later zelf invullen.

steenkool – kapitaal – arbeidskracht – innovatie – ondernemerschap

Belangrijke voorwaarden

De kracht van innovatie

Praktisch denken en experimenteren leidden tot vernieuwingen zoals de spinning jenny en stoommachine. Dit maakte massaproductie mogelijk.

Economisch: van huisnijverheid naar fabriek

Textielproductie verhuisde van huis naar grote fabrieken. Machines namen het werk over, waardoor de productiviteit steeg.

De textielindustrie als voorbeeld (1700-1800)

  • +/- 1700, Traditionele huisnijverheid: 8 spinners + 1 wever → 1 eenheid textiel

  • 1733, Flying Shuttle: 16 spinners + 1 wever → 2 eenheden textiel

  • 1764, Spinning Jenny: 1 spinner + 1 wever → 1 eenheid textiel

  • 1766-1769, Water Frame / Mule: 1 spinner + 4 wevers → 4 eenheden textiel

  • 1785-1800, Mechanisch weefgetouw: 1 spinner + 1 wever → 8 eenheden textiel


  • Wat is de verhouding qua geproduceerde hoeveelheid textiel in 1800 t.o.v. 1700 als je er van uit gaat dat we spinners en wevers allemaal als 'arbeider' beschouwen?

  • Hoeveel eenheden textiel kon 1 arbeider in 1800 produceren in de tijdspanne die 1 arbeider (spinner+wever gemiddeld) in 1700 nodig had om 1 eenheid textiel te produceren?

Evolutie textielproductie (1700-1800)


Van huisnijverheid naar fabrieksproductie

Verschil in productie

Gevolgen

- Massaproductie - Begin kapitalisme - Meer aanbod, andere prijzen

Bij huisnijverheid maakte elk gezin eigen producten. In fabrieken werkten veel mensen aan verschillende delen van het productieproces. Dit was sneller en goedkoper.

Agrarische revolutie: Waar komen die fabrieksarbeiders vandaan?

  • 1700, traditionele landbouw: Drieslagstelsel, kleine open percelen
    = 1 boer → voedsel voor ±1,5–2 personen

  • 1720-1750, intensivering: Vierslagstelsel, enclosures
    = 1 boer → voedsel voor ±2–2,5 personen

  • 1750-1770, innovaties: Zaaimachine, selectieve veeteelt
    = 1 boer → voedsel voor ±3 personen

  • 1770-1800, versnelling: Systematische bemesting, marktintegratie...
    = 1 boer → voedsel voor ±4–5 personen


  • Wat betekent dat voor de werkgelegenheid op het platteland?

Wat was het directe gevolg van de agrarische revolutie?

A

Afname van de bevolking

B

Verlies van landbouwgrond

C

Minder beroepen op het platteland

D

Toename van de voedselproductie

Wat betekent dat voor de werkgelegenheid op het platteland?

A

Boeren worden welvarender, het beroep wordt aantrekkelijker en de boeren winnen aan macht.

B

Meer mensen trekken naar het rijkere platteland om luxegewassen te produceren.

C

Veel mensen verhuisden naar de stad omdat er minder plattelandswerk was?

D

Minder werkgelegenheid in handel aangezien er minder gehandeld moet worden.

Slide titel

Evolutie landbouwproductie (1700-1800)


Sociale gevolgen: nieuwe groepen

Fabrieksarbeiders en fabrikanten werden belangrijke groepen. Traditionele standen raakten deels op de achtergrond.

Urbanisatie: groei van steden

Meer mensen trokken naar steden voor werk in de industrie. Steden groeiden snel en arbeidsomstandigheden veranderden.

Arbeidsomstandigheden veranderen

In fabrieken waren dagen lang, werk zwaar en beloning laag. Jonge kinderen en vrouwen werkten vaak mee.

Wat was een kenmerk van de arbeidsomstandigheden?

A

Goede ventilatie in fabrieken

B

Hoge salarissen voor arbeiders

C

Voldoende pauzes tijdens de werkdag

D

Langere werktijden dan vandaag de dag

Welke rol speelden vrouwen tijdens de revolutie?

A

Geen invloed op de economie

B

Leidinggevende posities in bedrijven

C

Alleen thuis voor de kinderen zorgen

D

Werken in fabrieken voor laag loon

Wat is een kenmerk van kinderarbeid?

A

Kinderen verdienden hoge lonen

B

Kinderen werkten vaak lange uren

C

Kinderen kregen goede scholing

D

Kinderen werkten in veilige omgevingen

Politiek-bestuurlijk: beperkte directe impact

Grondwet of beleid veranderde nauwelijks, maar eigendomsrechten en economische vrijheid werden belangrijker.

Eigendom wordt centraal

Wie fabrieken of machines bezat, had voordeel. Dit stimuleerde investeringen en economische groei.

Cultureel/mentaal: geloof in vooruitgang

Er ontstond een optimistisch gedachtengoed: innovatie en verbetering zijn mogelijk door kennis en uitvindingen.


Maar er was ook een tegenbeweging:
De Luddieten.

Praktische kennis en experimenteren

Praktische kennis werd steeds belangrijker, net als vaardigheden om te experimenteren en verbeteren.

Ruimtelijk/milieu: gevolgen voor omgeving

Industriële ontwikkeling concentreerde zich in bepaalde regio’s, vaak rond steenkool. Eerste milieuproblemen zoals luchtvervuiling werden zichtbaar.

Een geleidelijk proces

Wat veranderde?

Wat bleef bestaan?

Veel oude elementen van het ancien régime blijven nog. Niet iedereen werkte direct in fabrieken, veel mensen bleven op het platteland.

Industriële productie en nieuwe groepen ontstonden, vooral in de steden.

Synthese: kern van de overgang

De overgang van een agrarische naar een industriële samenleving rond 1800 was traag, maar bracht nieuwe productie, groepen en ideeën. Het ancien régime bleef deels bestaan.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.