This lesson contains 10 slides, with interactive quizzes and text slides.
Report this lesson
Items in this lesson
UNIT 4 Media
Lesson 1: Reading
Slide 1 - Slide
Vandaag gaan we:
woorden van 4.1 controleren;
de present simple herhalen;
de present simple ontkennend leren;
oefenen met opdrachten 8 en 9;
online oefenen met Words and Grammar.
Lesdoelen
Vandaag kan ik:<div>☑ woorden van 4.1 vertalen naar mijn eigen taal.</div><div>☑ de present simple herkennen en gebruiken.</div><div>☑ een zin in de present simple ontkennend maken.</div><div>☑ informatie uit een consumer review halen.</div><div><br></div><div>Aan het einde van de les weet ik:</div><div>👉 wanneer ik do / does en don't / doesn't gebruik.</div>
Slide 2 - Slide
Belangrijke woorden uit deze les:
beautiful - mooi 🌸
never - nooit 🚫
run away - weglopen 🏃💨
sell - verkopen 💰📦
interested - geïnteresseerd 🤔📚
send - sturen 📤 ✉️
wooden - van hout 🌳
available - verkrijgbaar 🛒✅
buy - kopen 💳🛍️
discount - korting 🔖%
awesome - geweldig 🌟🎉
sound - geluid 🔊
easy - gemakkelijk 🙂👍
turn on - aanzetten 🔘💡
fantastic - prachtig 🌈🎆
Nakijken
Controleer opdracht 6 en 7 op blz. 13 met de nakijkmap.
timer
5:00
Slide 3 - Slide
Even denken...
Kijk naar de zinnen.
I like my phone.
She likes her phone.
They play games.
He plays games.
💭 Denk eerst zelf.
👥 Bespreek het daarna met je buur.
Slide 4 - Slide
Grammatica - present simple
De present simple is de tegenwoordige tijd.
Je gebruikt de present simple als iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt.
Bevestigend:
I eat apples / He eats apples
Let op de -s bij he/she/it.
Schrijf de aantekening over in je schrift.
Vul in
<div><b>Kies uit</b>: send – sell – buy – turn on</div><div><b>Let op: </b>gebruik bij he / she / it een -s aan het eind van het werkwoord.</div><div><ul><li>I ______ a new phone every year.</li><li>She ______ flowers to her grandma every week.</li><li>They ______ old books on the market.</li><li>My dad always ______ the TV at 7 o’clock.</li></ul></div>
Slide 5 - Slide
Grammatica - present simple
Soms wil je zeggen dat iets niet gebeurd. Dan gebruik je don't en doesn't plus hetwerkwoord:
I don'teat apples.
He doesn'teat apples.
Let op het verschil tussen don't en doesn't: he en she krijgen doesn't.
Vul in
<b>Maak de zin ontkennend </b><div><b>Gebruik don’t of doesn’t + het hele werkwoord.</b></div><div><b><br></b></div><div><ul><li><b>I ______ (send) postcards in winter.</b></li><li><b>He ______ (buy) video games.</b></li><li><b>We ______ (turn on) the lights during the day.</b></li><li><b>She ______ (sell) her toys.</b></li></ul></div>
Let op:
<div>Niet:</div><div>❌ She / he doesn't likes</div><div><br></div><div>Wel:</div><div>✅ She / he doesn't like</div>
Slide 6 - Slide
Welke zin is goed?
A
He doesn't likes this phone.
B
He don't like this phone.
C
He doesn't like this phone.
Slide 7 - Quiz
Zelf aan het werk
Maak opdracht 8 en 9 in je boek op blz. 14
Gebruik je uitleg in je boek op blz. 13 en 14
Klaar? Controleer je antwoorden met de nakijkmap.
Oefen online met Grammar and Words in Practise more.
Slide 8 - Slide
Online oefenen
Somtoday --> studiemateriaal --> Engels
Digitale leeromgeving 1bk --> 4 Media --> Lesson 1: Reading