4H - Les 15 imperfecto

Programa
  1. Bijwoord/ bijv. nw
  2. Imperfecto
  3. Deberes
1 / 28
next
Slide 1: Slide
SpaansMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Programa
  1. Bijwoord/ bijv. nw
  2. Imperfecto
  3. Deberes

Slide 1 - Slide

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

  • zegt iets over een zelfst. nw 
       la comida sana.
       es una canción buena

  • Het komt in getal en geslacht met dit zelfst. nw. overeen.


Wat is een bijwoord? 

  • Zegt iets over een werkwoord, 
      Comemos sanamente.
      La cantante canta bien.

  • het is onveranderlijk.

Slide 2 - Slide

Adverbios en mente
Een bijwoord vorm je met: 
--> 'o' naar een 'a' + mente
- rápido               rápidamente
- completo        completamente

--> een medeklinker + mente
- fácil                facilmente
- total                totalmente

--> een 'e' + mente
- probable         probablemente

Slide 3 - Slide

Bijwoorden van hoeveelheid
demasiado    =   teveel
Luisa trabaja demasiado.
mucho           = veel
Ana viaja mucho.
bastante        = aardig wat/tamelijk veel
Pedro estudia bastante
poco              = weinig
Rosa estudia poco.
Wat zijn bijwoorden?
woorden die iets zeggen over een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord. Ze zijn onveranderlijk. 

Slide 4 - Slide

muy en mucho
  • muy is een bijwoord en staat voor een bijvoeglijk naamwoord. Het betekent dan "heel" of "erg".
  • mucho(veel) als bijwoord zegt iets over een werkwoord. Het is dan onveranderlijk. vb: Juan trabaja mucho.
  • mucho als bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. In dat geval past het zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar het bij staat. 
vb: Hay mucha gente. Tengo muchos libros. 

Slide 5 - Slide

TRABAJAR    COMER      VIVIR
trabajaba                                    comía                                     vivía
trabajabas                                  comías                                   vivías
trabajaba                                    comía                                     vivía
trabajábamos                           comíamos                            vivíamos
trabajabais                                comíais                                  vivíais
trabajaban                                  comían                                   vivían

Slide 6 - Slide

onregelmatige:

Slide 7 - Slide

Porque

Slide 8 - Slide

Elige: imperfecto o indefinido
  1. Ayer mi madre ....................... (hacer) gazpacho.
  2. Antes no .............................. (gustar, yo) el gazpacho, pero ahora me gusta mucho.
  3. Primero ............................ (levantarse, nosotros), después ................ (ducharse, nosotros), y luego ......................... (desayunar, nosotros) juntos y ................... (irse nosotros) en bici al colegio.
  4. La semana pasada no ........................... (poder, yo) ir al colegio, porque ................... (estar, yo) enfermo.
  5. En tu juventud  ........................  (ir, jij) cada domingo a tu abuela.

Slide 9 - Slide

respuestas
  1. Ayer mi madre hizo gazpacho.
  2. Antes no me gustaba el gazpacho, pero ahora me gusta mucho.
  3. Primero nos levantamos , después nos duchamos, y luego desayunamos juntos y nos fuimos en bici al colegio.
  4. La semana pasada no pude ir al colegio, porque estaba enfermo.
  5. En tu juventud ibas cada domingo a tu abuela.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Antw.
1. escuché
2. comía
3. visitábamos
4. fuisteis
5. tenía
6. bailó
7. tenía
8. íbamos
9. entró, vio, empezó
10. hablaron
Maak:
Paso Adelante
Página 146-147
Ej. 3 + 4
3a. Imperfecto
3b. Bijwoord
3c. Imperfecto

Slide 12 - Slide

Online: imperfecto vs. indefinido
- Oefen met de imperfecto - indefinido
- Zoek de signaalwoorden en probeer daarmee:
1. de juiste verledentijd te kiezen
2. de juiste vervoegin in te vullen
- Er zullen hier en daar wat zinnen tussen staan waar geen signaalwoorden bijstaan. Dat geeft niet. Probeer het gewoon.

Slide 13 - Slide

0

Slide 14 - Video

imperfecto y indefinido

Slide 15 - Slide

habéis hecho
A
Presente
B
Pretérito perfecto
C
Pretérito indefinido
D
Pretérito imperfecto

Slide 16 - Quiz

Welk signaalwoord duidt NIET op een imperfecto?
A
siempre
B
en abril
C
normalmente
D
todos los días

Slide 17 - Quiz

Het signaalwoord "antes" hoort bij de .....
A
Presente
B
Pretérito perfecto
C
Pretérito indefinido
D
Pretérito imperfecto

Slide 18 - Quiz

Welk ww is NIET in de imperfecto vervoegd?
A
pensaban
B
bebías
C
comieron
D
vivíamos

Slide 19 - Quiz

íbamos
A
Presente
B
Pretérito perfecto
C
Pretérito indefinido
D
Pretérito imperfecto

Slide 20 - Quiz

ser - nosotros - imperfecto

Slide 21 - Open question

hablar - nosotros - imperfecto

Slide 22 - Open question

Imperfecto - zij werkten

Slide 23 - Open question

ir - tú - imperfecto

Slide 24 - Open question

vervoeg in de imperfecto:
escribir (vosotros)

Slide 25 - Open question

vervoeg in de imperfecto:
tener(yo)

Slide 26 - Open question

vul de juiste vormen in vd imperfecto

Slide 27 - Slide

Deberes
C3 11, 20, 21 en 22a
C3 23, 24ab, 26
C3 29, 30
voca C2 + 3 herhalen
tarea imperativo
C3 eje 25, 31 y 32
C3 D-toets ej 3+4
adverbios
imperfecto-indefinido vervoeging + signaalwoorden

Slide 28 - Slide