Verhoudingen
Verhoudingen
This item has no instructions
Doelen
Je weet wat verhoudingen zijn.
Je kan verhoudingstabellen maken.
Je kan rekenen met verhoudingen.
This item has no instructions
Voorbeelden van verhoudingen
De auto rijdt 1 op 18.
Dat betekent: met 1 liter brandstof rijdt de auto 18 kilometer.
Met 3 liter brandstof kan de auto dus ook 3 x zo ver rijden:
3 x 18 = 54 kilometer
In het filmpje zag je ook: verhouding tussen gewicht en prijs. Vaak wordt de prijs per 100 gram of per kilo gegeven. Wil je dan bijvoorbeeld 400 gram kopen, dan moet je de prijs vermenigvuldigen met 4.
This item has no instructions
Verhoudingen
Je komt verhoudingen ook veel tegen bij het koken, in recepten
VoorbeeldVoor 4 personen heb je 300 gram noedels nodig.
Dit is een verhouding tussen het aantal personen en het aantal
gram noedels. Met deze verhouding kan je uitrekenen hoeveel
noedels je nodig hebt voor verschillende aantallen personen.
This item has no instructions
Bijvoorbeeld
Je kookt voor 6 personen, hoeveel gram noedels heb je nodig?
Eerst reken je het aantal personen om naar 1, vervolgens naar 6.
Je kan ook het aantal personen omrekenen naar 2, dan vermenigvuldig je daarna met 3 in plaats van 6.
Je kan ook in een keer vermenigvuldigen met 1,5.
Een verhoudingstabel is een bijzondere tabel.
De bovenkant van de tabel heeft steeds te maken met de onderkant van de tabel.
De bovenkant van de tabel x6
dan ook
de onderkant van de tabel x6
This item has no instructions
A = 10 km, B = 20 km, C = 40 km
A = 20 km, B = 40 km, C = 60 km
A = 10 km, B = 20 km, C = 30 km
A = 20 km, B = 35 km, C = 50 km.
Dit is een verhouding tussen tijd en afstand.
Alles wat je met de bovenste rij doet, doe je ook met de onderste rij. Een half uur is 2 keer zo lang als een kwartier. Een uur is 2 keer zo lang als een half uur. En anderhalf uur is 3 keer zo lang als een half uur.
Reken uit met een verhoudingstabel:
Een auto gebruikt 60 liter brandstof voor 600 kilometer. Hoeveel kilometer rijdt deze auto met 1 liter brandstof?
This item has no instructions
This item has no instructions
Verhoudingen met een totaal
Soms wordt een verhouding ook gegeven als deel van een totaal. Bijvoorbeeld in een klas van 20 zitten 5 jongens en 15 meisjes.
De verhouding jongens op het totaal is 5 op de 20 = 1 op de 4 (1:4)
De verhouding jongens op het aantal meisjes is 5 op de 15 = 1 op de 3 (1:3)
This item has no instructions
This item has no instructions
66
60
3
63
This item has no instructions
: 21 x 20
Dus in 20 minuten 60 auto's
This item has no instructions
6 appels kosten in
de winkel € 2,10
Hoeveel kosten 5 appels?
This item has no instructions