Examentraining 16

Wat is de juiste rangorde in het RVV 1990?
A
Verkeerslichten, aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels.
B
Verkeersregels, aanwijzingen, verkeersteken en verkeerslichten.
C
Aanwijzingen, verkeerslichten, verkeerstekens en verkeersregels.
1 / 67
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding

This lesson contains 67 slides, with interactive quizzes.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Wat is de juiste rangorde in het RVV 1990?
A
Verkeerslichten, aanwijzingen, verkeerstekens en verkeersregels.
B
Verkeersregels, aanwijzingen, verkeersteken en verkeerslichten.
C
Aanwijzingen, verkeerslichten, verkeerstekens en verkeersregels.

Slide 1 - Quiz

Wat voor voertuig is dit volgens het RVV 1990?
A
Brommobiel.
B
Gehandicaptenvoertuig.
C
Motorvoertuig op meer dan 2 wielen.

Slide 2 - Quiz

Welke regels moet de bestuurder van een brommobiel volgen?
A
Regels van een motorvoertuig.
B
Regels van een bromfiets.
C
Regels van een fiets.

Slide 3 - Quiz

Een personenauto wordt gesleept door een andere personenauto. Wat is de personenauto die gesleept wordt volgens het RVV 1990?
A
Personenauto is een motorvoertuig.
B
Personenauto is een aanhangwagen.
C
Personenauto is een voertuig.

Slide 4 - Quiz

Wat is een lijnbus?
A
Voertuig dat rijdt volgens een dienstregeling.
B
Motorvoertuig dat zich bezig houdt met openbaar vervoer.
C
Autobus die zich bezig houdt met openbaar vervoer.

Slide 5 - Quiz

Wat is een kruispunt?
A
Het punt op het kruisingsvlak.
B
Het kruisingsvlak.
C
2 wegen die elkaar kruisen.

Slide 6 - Quiz

Wat is deze wagen volgens het RVV 1990?
A
Voertuig.
B
Motorvoertuig.
C
Motorrijtuig.

Slide 7 - Quiz

Welk bord betekent vluchthaven?
A
B
C

Slide 8 - Quiz

Welk bord betekent vluchthaven met noodtelefoon?
A
B
C

Slide 9 - Quiz

Wie is volgens het RVV een weggebruiker?
A
Duopassagier op een bromfiets.
B
Een paard dat geleid wordt.
C
Een voetganger.

Slide 10 - Quiz

Wat maakt deel uit van de rijbaan?
A
Een fietsstrook.
B
Een fietspad.
C
De vluchtstrook.

Slide 11 - Quiz

Wat is een voorrangsvoertuig?
A
Een voertuig met optische en geluidsignalen.
B
Een motorvoertuig met optische en geluidsignalen.
C
Een motorvoertuig met herkenbare geluidsignalen.

Slide 12 - Quiz

Een politiebusje heeft het blauwe zwaailicht aan.
Is dit voertuig nu een voorrangsvoertuig?
A
Ja, want de bestuurder toont zo aan dat hij een dringende taak heeft.
B
Ja, want een politievoertuig is altijd een voorrangvoertuig.
C
Nee, dan moet het voertuig ook de voorgeschreven geluidssignalen voeren.

Slide 13 - Quiz

Wat maakt deel uit van de doorgaande rijbaan?
A
Het verharde gedeelte van de weg.
B
De doorgaande rijstroken.
C
De doorgaande rijstroken en die invoegstrook.

Slide 14 - Quiz

Wat is de plaats op de weg van deze bromfietser?
A
Fietsstrook.
B
Fietsstrook + Rijbaan.
C
Rijbaan.

Slide 15 - Quiz

Wat is de 1e en 2e plaats op de weg van een skater?
A
Trottoir - Fiets/bromfietspad.
B
Fiets/bromfietspad - trottoir.
C
Fiets/bromfietspad - rijbaan.

Slide 16 - Quiz

Wat is de plaats op de weg van skater? Je ziet een rijbaan en trottoir.
A
Rijbaan of trottoir.
B
Trottoir.
C
Rijbaan.

Slide 17 - Quiz

Wat is plaats op de weg van een ruiter indien een ruiterpad ontbreekt?
A
Rijbaan.
B
Rijbaan of berm.
C
Berm.

Slide 18 - Quiz

In welk geval mag een fietser de rijbaan gebruiken ondanks dat er een fietspad aanwezig is?
A
Dit is niet toegestaan.
B
In geval van een bakfiets. (fiets op 2 voorwielen en 1 achterwiel).
C
In geval van een fiets met een aanhangwagen met een breedte van meer dan 80 cm.

Slide 19 - Quiz

De breedte van deze fiets is 0,65 m., de plaats op de weg voor deze bestuurder is....?
A
Rijbaan.
B
Rijbaan of fietspad.
C
Fietspad.

Slide 20 - Quiz

Een bakfiets is inclusief de lading 85 cm. breed.
Wat is volgens het RVV 1990 de plaats op de weg van dit voertuig?
A
De rijbaan.
B
Het verplichte fietspad.
C
Het verplichte fietspad of de rijbaan.

Slide 21 - Quiz

Een snorfietser en een fietser rijden naast elkaar op een fietsstrook, mag dat volgens het RVV?
A
Ja.
B
Ja, maar alleen als de snorfietser links van de fietser rijdt.
C
Nee.

Slide 22 - Quiz

Wat is bepaald ten aanzien van een bestuurder van een autobus?
A
De bestuurder moet gebruik maken van een busstrook.
B
De bestuurder mag gebruik maken van een busstrook.
C
De bestuurder mag geen gebruik maken van een busstrook.

Slide 23 - Quiz

Je ziet een busstrook met een onderbroken streep. Je ziet op de weg de tekst BUS staan. Je ziet een touringcar met schoolgaande kinderen die naar een schoolreis gaan. Mag deze touringcar gebruik maken van deze strook?
A
Nee, deze strook is slechts voor lijnbussen.
B
Ja, deze strook is voor auto- en lijnbussen.
C
Ja, deze strook is slechts voor autobussen.

Slide 24 - Quiz

Wie moet de rijbaan verlaten?
A
Skater, snorfiets, bromfiets.
B
Bromfiets, snorfiets, gehandicaptenvoertuig.
C
Bromfiets.

Slide 25 - Quiz

Je ziet een weg. Rechts zie je een aantal woningen die deel uitmaken van een aaneengesloten bebouwing. Links zie je een kanaal. Wie kan je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
Voetganger, brom/snor- fiets, gehandicaptenvoertuig en alle andere verkeersdeelnemers.
B
Geen verkeer.
C
Fietsers, bromfietsers.

Slide 26 - Quiz

Wie mag gebruik maken van een OFOS?
A
Bestuurders van een bromfiets, fiets, snorfiets en gehandicaptenvoertuig.
B
Bestuurders van een fiets, snorfiets, en gehandicaptenvoertuig.
C
Fiets, snorfiets.

Slide 27 - Quiz

Je ziet een OFOS. Op de OFOS staan een aantal fietsers. Waar moet je extra rekening mee houden?
A
Met de fietser voor je.
B
Met fietsers die eventueel van rechts kunnen inhalen.
C
Met voetgangers die willen oversteken.

Slide 28 - Quiz

Je ziet een weg die gekruist wordt door een overweg. De overweg heeft 2 of meer sporen.
Je staat in het midden stil tussen 2 sporen.
Wat is ten aanzien van deze opstelling bepaald?
A
Het is niet verboden.
B
Het is niet verboden doch het is niet veilig.
C
Het is niet toegestaan.

Slide 29 - Quiz

Wat is volgens het RVV 1990 de plaats op de weg?
A
Uiterst rechts van de rijbaan.
B
Zoveel mogelijk rechts van de rijbaan.
C
Iets links van de rijbaan.

Slide 30 - Quiz

Wat is hier de juiste plaats op de weg?
A
Zo veel mogelijk rechts houden.
B
Midden op de rijbaan rijden.
C
Zo veel mogelijk links houden.

Slide 31 - Quiz

U rijdt langs de geparkeerde auto`s welke onderlinge afstand houdt u aan volgens de rijprocedure?
A
Een halve portierbreedte
B
Een portierbreedte
C
Ongeveer 1 meter

Slide 32 - Quiz

Je ziet een rijbaan en een fietspad.
Wie moet(en) de rijbaan verlaten?
A
Bestuurders van een bromfiets en gehandicapten voertuig.
B
Bestuurders van een fiets.
C
Bestuurders van een bromfiets en snorfiets.

Slide 33 - Quiz

Moet de bestuurder van een gehandicaptenvoertuig bij dit bord de rijbaan verlaten?
A
Nee, hij moet de rijbaan blijven volgen.
B
Ja, hij moet het fiets/bromfietspad op rijden.
C
De keuze is aan hemzelf.

Slide 34 - Quiz

Wat is de juiste plaats op de weg voor een voetganger binnen een erf?
A
Zoveel mogelijk aan de zijkanten.
B
Trottoir of voetpad.
C
De volle breedte van de weg.

Slide 35 - Quiz

Welke bestuurder mag, vlak voor of op een rotonde, afwijken van zijn plaats op de weg volgens het RVV 1990?
A
Ruiter.
B
Bromfiets.
C
Snorfiets.

Slide 36 - Quiz

Wie mag de linkerrijstrook rijstrook gebruiken?
A
Motorvoertuigen en bromfietsers.
B
Bestuurders.
C
Weggebruikers.

Slide 37 - Quiz

Wie moet zich houden aan de voorsorteerstrook op de rijbaan?
A
Alle bestuurders.
B
Bestuurders die de rijbaan volgen.
C
Alle weggebruikers.

Slide 38 - Quiz

Je wilt een rotonde bij de 3e afslag verlaten. Welke rijstrook is het verstandigst om te volgen?
A
Linker rijstrook.
B
Rechter rijstrook.
C
Verplicht de linker rijstrook.

Slide 39 - Quiz

Wat kan je in deze situatie verwachten?
A
Enkel spoor.
B
2 of meer sporen.
C
Dat er nog een trein kan aankomen.

Slide 40 - Quiz

Wat moet een begeleider van een railvoertuig voeren?
A
Een bord F10.
B
Rode lamp.
C
Rode lamp of een rode vlag of bord F10.

Slide 41 - Quiz

Je ziet een T- aansluiting. Je ziet dus een rijbaan die rechtdoor loopt en je ziet een weg van links. Rechts vóór het kruispunt zie je verkeersbord C9. Op de doorgaande rijbaan loopt een marscolonne. Mag deze colonne rechtdoor lopen?
A
Ja, indien zij het trottoir oplopen.
B
Ja, ze mogen de rijbaan blijven volgen.
C
Nee, ze moeten links de zijweg oplopen.

Slide 42 - Quiz

U ziet deze combinatie van borden. Welke van de onderstaande bestuurders mogen gebruik maken van deze weg?
A
Brommobiel.
B
Gehandicaptenvoertuig
C
Personenauto met aanhangwagen.

Slide 43 - Quiz

Er komt een fietser aangereden die de rijbaan wil oversteken.
Waar ga je stoppen?
A
Bij de pianomarkering.
B
Voor de stopstreep.
C
Zodanig dat je de fietser niet hindert.

Slide 44 - Quiz

Je ziet een rijbaan, met een kanalisatiestrook.
Aan de rechterzijde zie je dit verkeersbord. Voor je rijdt een fietser. Mag je voor deze oversteekplaats de fietser inhalen?
A
Ja, als het maar veilig gebeurt.
B
Nee, je mag geen voertuig inhalen.
C
Nee, je mag geen bestuurders inhalen.

Slide 45 - Quiz

Hoe ziet het verkeersbord eruit, waarmee een V.O.P. moet zijn aangegeven?
A
Vierkant blauw bord met witte driehoek met een V.O.P.
B
Driehoek bord met rode rand met een V.O.P. (J borden).
C
Vierkant blauw bord met een witte driehoek in het bord met een V.O.P. en waarbij een voetganger oversteekt.

Slide 46 - Quiz

Je nadert een kruispunt met dit bord. Wat moet je in deze situatie doen?
A
Je mag afslaan, er is sprake van een eenrichtingsweg.
B
Je mag niet rechts afslaan.
C
Je mag niet afslaan.

Slide 47 - Quiz

Je hebt een rijbaan met 2-richtingsverkeer en een verkeersdruppel met bord D2 in het midden. Aan de rechterzijde heb je eerst een berm en daarnaast een trottoir.
Aan de linkerzijde eerst berm, trottoir en fietspad voor beide richtingen. Er wordt gevraagd wie de vluchtheuvel van rechts moet passeren?
A
Fietser + skeeler.
B
Ruiter + gehandicaptenvoertuig
C
Snorfiets + brommobiel.

Slide 48 - Quiz

Wat houdt dit bord in?
A
Taperoplossing.
B
Einde spitsstrook.
C
Einde rijstrook.

Slide 49 - Quiz

Welke locatie verlaat je in deze situatie?
A
Je verlaat een weg.
B
Je verlaat een 30 km zone.
C
Je verlaat een weg met snelheidsbeperking.

Slide 50 - Quiz

Je ziet een wegversmalling, aangegeven met het dit verkeersbord. Hoe dient men te handelen indien tegenliggers doorrijden?
A
Doorrijden.
B
Voor laten gaan.
C
Voorrang verlenen.

Slide 51 - Quiz

Je ziet een rijbaan, met dit bord. Wie mag deze weg inrijden?
A
Gehandicaptenvoertuig met in werking zijnde motor.
B
Gehandicaptenvoertuig met uitgeschakelde motor.
C
Snorfiets met uitgeschakelde motor.

Slide 52 - Quiz

Wie kan je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
Voetganger.
B
Fietser.
C
Auto.

Slide 53 - Quiz

Je bevindt je op een autosnelweg. Je ziet dit bord. Wat kun je verwachten?
A
Een 80 km weg.
B
Je blijft op een autosnelweg.
C
Je gaat de bibeko inrijden.

Slide 54 - Quiz

Je ziet een hectometerbordje (A7) (28,5) Waar bevindt u zich?
A
Op de autosnelweg.
B
Op de autoweg.
C
Op de provinciale weg.

Slide 55 - Quiz

Je rijdt op de autosnelweg. En ziet dit bord. Wat houdt dit in?
A
De autosnelweg extra lang is.
B
Is grensoverschrijdend. (aangesloten op het Europese wegennet).
C
Dat de autosnelweg in een bepaalde provincie blijft.

Slide 56 - Quiz

Je ziet op de autosnelweg een elektronisch bord met een pijl naar links. Wat betekent dit?
A
Afgesloten rijstrook.
B
Van rijstrook wisselen.
C
Voorwaarschuwing rood kruis.

Slide 57 - Quiz

U rijdt op deze autosnelweg met 4 rijstroken en u rijdt op de linker rijstrook. Het matrixbord boven de rechter rijstrook heeft een rood kruis. U krijgt een lekke band, mag u volgens het RVV 1990 over de rechter rijstrook en naar de vluchtstrook toe rijden?
A
Nee, ondanks dat er sprake is van een noodgeval.
B
Ja, u mag de rechterrijstrook gebruiken.
C
Nee, u mag alleen de linkerrijstrook gebruiken.

Slide 58 - Quiz

Je ziet een rijbaan met een wegversmalling. Aan de rechterkant ziet u dit bord. Wie kun je hier als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
Voetgangers.
B
Bestuurders.
C
Alle weggebruikers.

Slide 59 - Quiz

Je ziet een rijbaan met een weg aan de linkerzijde en een in/uitrit constructie aan de rechterzijde. Voorts zie je dit bord. Mag je in deze situatie links afslaan?
A
Nee, het betreft een verplichte rijrichting.
B
Ja, het betreft een doodlopende weg.
C
Nee, het betreft een eenrichtingsweg.

Slide 60 - Quiz

Wat betekent dit bord?
A
Einde zone gebied.
B
Einde zone weg.
C
Einde zone straat.

Slide 61 - Quiz

Wie kunt u op de rijbaan verwachten als tegemoetkomend verkeer?
A
Snorfietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen.
B
Snorfietsen en gehandicaptenvoertuigen.
C
Bromfietsen.

Slide 62 - Quiz

Je ziet een rijbaan. Aan de rechterzijde zie je bord C14. Voor wie geldt dit bord?
A
Snorfiets met buiten werking zijnde motor.
B
Gehandicaptenvoertuig met in werking zijnde motor.
C
Brommobiel.

Slide 63 - Quiz

U ziet dit bord. Waar bevindt u zich?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom.

Slide 64 - Quiz

Welke bestuurder mag deze weg wel inrijden?
A
Een bestuurder van een fiets met trapondersteuning.
B
De speed-pedelec.
C
Een gehandicaptenvoertuig zonder motor.

Slide 65 - Quiz

Wat betekent dit bord?
A
Je mag jouw voertuig op deze locatie parkeren en verder carpoolen.
B
Je mag jouw voertuig op deze locatie parkeren en doorreizen met openbaar vervoer.
C
Je mag jouw voertuig op deze locatie parkeren en uitrusten.

Slide 66 - Quiz

Wat voor soort fiets/bromfietspad is dit?
A
Een eenzijdig fiets/bromfietspad.
B
Een tweezijdig fiets/bromfietspad.
C
Een aanliggend fiets/bromfietspad.

Slide 67 - Quiz