Vloeistofpompen periode 2

Vloeistofpompen
1 / 34
next
Slide 1: Slide
ProcestechniekMBOStudiejaar 2

This lesson contains 34 slides, with interactive quizzes, text slides and 12 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Vloeistofpompen

Slide 1 - Slide

In deze les komen de volgende onderwerpen aan bod.

Slide 2 - Slide

Bij pompen zijn drie begrippen belangrijk om de prestaties van een pomp aan te geven.
Debiet: het vloeistofvolume dat per tijdseenheid door een doorsnede stroomt, bijvoorbeeld in liter
per minuut.
Opvoerhoogte: de druk die de pomp kan leveren.
Opvoerdruk: het verschil tussen de zuigdruk en de persdruk.

Slide 3 - Slide

Pompprincipes
Verdringerprincipe: een pomp kan de vloeistof verplaatsen door met een bewegend onderdeel de vloeistof weg te duwen.
Voorbeelden: cellenpomp, lobbenpomp, membraanpomp, plunjerpomp.
Impulsprincipe: een pomp laat met een ronddraaiend onderdeel de vloeistof sneller stromen, waarna de snelheid later wordt omgezet in druk.
Voorbeelden: centrifugaalpomp, dompelpomp, schroefpomp, zijkanaalpomp.

Slide 4 - Slide

Zuigerpomp
Werkt met een zuiger die heen-en-weer beweegt. Bij de zuigerpomp wordt de kamer vergroot door een zuiger naar beneden te trekken. De zuigklep staat dan open en de persklep is gesloten. Hierdoor zuigt de pomp de vloeistof of het gas aan. Als de zuiger daarna omhoog gaat, is de zuigklep gesloten en de persklep open

Slide 5 - Slide

Plunjerpomp
wordt veel toegepast in hydraulieksystemen, omdat de plunjerpomp heel hoge drukken kan maken. Eigenlijk is de plunjerpomp bijna gelijk aan de zuigerpomp. De plunjer is alleen iets steviger en kan hogere drukken aan.
Bij plunjerpompen kun je de opbrengst regelen:
- door het toerental te veranderen
- met de slag van de plunjers

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Video

Membraanpomp:
Is een verdringerpomp die veel gebruikt wordt voor het verpompen van gevaarlijke vloeistoffen. De druk voor deze pomp wordt geleverd door lucht- of stikstofdruk. Doordat de vloeistof niet in aanraking komt met essentiële delen van de pomp doch slechts met de membranen maakt dat deze pomp zeer geschikt is voor corrosieve en agressieve vloeistoffen.

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Video

Tandwiel- of tandradpomp
Is een verdringerpomp. De pomp zorgt voor een constant debiet. Om het debiet te regelen, moet je het toerental van de pomp regelen ofwel de snelheid van de tandwielen.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Video

Lobbenpomp
Is een verdringerpomp. Door de rustige verplaatsing van de vloeistof, is de lobbenpomp heel geschikt voor het verpompen van kwetsbare vloeistoffen. De opbrengst wordt naast door het toerental bepaald door de tegendruk en de viscositeit van het product. Zoals in het volgende filmpje wordt opgemerkt is deze pomp veel gebruikt in de voedingsmiddelen industrie.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Schottenpomp
wordt vaak gebruikt in een hydraulisch systeem. In het midden van de pomp zit een rotor met schuivende schotten. Als de ruimte tussen het schot en de binnenwand van het pomphuis groter wordt, gaat de pomp zuigen. Op plaatsen waar de ruimte kleiner wordt, gaat de pomp persen.

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Mono- of wormpomp
de pomp bestaat uit een rotor en een stator. De schroefvormige rotor zit in de nauw passende rubberen stator. Hierdoor ontstaan kamers tussen de rotor en de stator. Door de draaiende en slingerende beweging wordt de vloeistof in de kamertjes naar voren verplaatst.
De monopomp is erg geschikt voor het verpompen van dikke vloeistoffen (hoge viscositeit).
Soms hebben deze vloeistoffen zelfs vaste delen. 

Slide 16 - Slide

Slide 17 - Video

Slide 18 - Video

Schroefpomp
Hebben een geringe opvoerhoogte (weinig druk) en zorgen voor een grote volumestroom (debiet). De schroefpomp wordt gebruikt voor het verpompen van dikke vloeistoffen (hoge viscositeit).

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Video

Slangenpomp
Drukt met drukrollen de slang in. Als de rol draait, verplaatst hij richting de uitgang en perst de vloeistof uit. Geschikt voor visceuze, slurryachtige en/of agressieve vloeistoffen.
De vloeistoffen zouden in andersoortige pompen problemen kunnen opleveren, bijvoorbeeld beschadiging van pomponderdelen door corrosie door een zuur, of, andersom, beschadiging van stoffen in de vloeistof; de vloeistof komt namelijk alléén in aanraking met de binnenwand van het pompelement: een slang van kunststof, zoals siliconen, die de te pompen vloeistof gescheiden houdt van andere pomponderdelen en daardoor zowel de pomp als de vloeistof beschermt. Beetje te vergelijken met de membraanpomp.

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Impulspompen
  • De centrifugaalpomp, niet zelfaanzuigend
  • Axiaalpomp

Slide 24 - Slide

Centrifugaalpomp
 kun je herkennen aan de slakkenhuisvorm. In het hart van het
slakkenhuis komt de vloeistof binnen. Hier is een zuigleiding op aangesloten. Als de vloeistof binnen is, wordt het water naar buiten geslingerd door het draaien van de waaier (impulsprincipe). Bij A is er nog maar weinig water naar buiten geslingerd. Daarom is de ruimte hier nog klein. Bij B is er al meer water naar buiten geslingerd. Dit zie je aan de grotere ruimte. Bij C verlaat het water de pomp via een persleiding.

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Video

Axiaalpomp
bestaat uit een buis waarin een speciaal gevormde rotor met schoepen is
geplaatst. Deze rotor lijkt op een propeller met schuine schoepen. Het voordeel van een axiaalpomp is dat de pomp in een leiding opgenomen kan worden, zonder dat hiervoor extra ruimte gemaakt moet worden. Alleen de motor steekt meestal buiten de leiding. 

Slide 27 - Slide

Slide 28 - Video

Ik wil een hoeveel grondstof toevoegen met een mobiele pomp in een tank, welke pomp kan ik hiervoor het beste gebruiken?
A
Centrifugaalpomp
B
Monopomp
C
Lobbenpomp
D
Het maakt niet uit welke pomp je gebruikt

Slide 29 - Quiz

Welke pomp is niet zelfaanzuigend?

Slide 30 - Open question

Welke pomp(en) is uitermate geschikt voor agressieve vloeistoffen?

Slide 31 - Open question

Wat is de reden dat deze twee pompen geschikt zijn?

Slide 32 - Open question

Waarvoor wordt een lobbenpomp vaak gebruikt?
A
Laboratoria
B
Voedingsmiddelen
C
Kwetsbare stoffen
D
Zowel a,b als c is goed

Slide 33 - Quiz

Einde les
  • Je hebt in deze les kennisgemaakt met verschillende soorten pompen met verschillende toepassingen.
  • Je weet het verschil tussen het verdringerprincipe en het impulsprincipe.

Slide 34 - Slide