6.4 Verzinnen en vertellen

Verzinnen en vertellen
 H@ck (deel 2)
1 / 11
next
Slide 1: Slide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 11 slides, with interactive quiz and text slides.

Items in this lesson

Verzinnen en vertellen
 H@ck (deel 2)

Slide 1 - Slide

Terugblik Les 6.3
Spannende verhalen
Welk verhaal (H@ck, Piratenzoon, De scheepsjongens van Bontekoe) lijkt jou het spannendst?
Welk beoordelingswoord past erbij?
In welke tijd speelt het verhaal?
Leerdoel 1, 2, 3 en 4
Ik kan:
  • herkennen hoe een verhaal spannend is gemaakt;
  • uitleggen wat ik voel bij een verhaal;
  • een verhaal kort navertellen of samenvatten;
  • herkennen in welke tijd een verhaal speelt.

Slide 2 - Slide

Na deze les kan ik:
  1. iets verzinnen dat past bij de tijd van het verhaal.
  2. een spannende plek beschrijven.
  3. hele zinnen schrijven met hoofdletters en leestekens.

Succescriteria
Ik let op:
✔ Hoofdletters
✔ Leestekens
✔ Hele zinnen (onderwerp + persoonsvorm)
✔ Mijn verhaal is spannend

Slide 3 - Slide

Bespreek in tweetallen
Wat is spannend in een verhaal?
Wat maakt een plek eng of gevaarlijk?

Slide 4 - Slide

Opdracht 8a
Wanneer vind jij een verhaal spannend?

Slide 5 - Mind map

Verzinnen wat bij de tijd past
In het verhaal H@ck (deel 2) vindt Holden blikken met eten dat hij niet kent.
Schrijf in drie zinnen wat er gebeurt als hij dit eet proeft.
Denk aan:
Past het bij de tijd van het verhaal?
Maak opdracht 14a
Leerdoel 1
Ik kan iets verzinnen dat past bij de tijd van het verhaal.
Voorbeeld
Holden opent een blik met onbekend eten.
Hij ruikt aan het eten en twijfelt.
Als hij het proeft, merkt hij dat het heel zout smaakt.

Waarom zijn dit hele zinnen?

Slide 6 - Slide

Leef je in in de tijd van het verhaal.
Verzin iets dat past bij die tijd.
Schrijf in een paar zinnen:
– Wat is het?
– Hoe werkt het?

Maak opdracht 14b.
Klaar?
Controleer:
– Beginnen de zinnen met een hoofdletter?
– Staan er punten?
– Zijn het hele zinnen?

Geef elkaar een tip.
Leerdoel 1 en 3
Ik kan iets verzinnen dat past bij de tijd van het verhaal.
Ik kan hele zinnen schrijven met hoofdletters en leestekens.

Slide 7 - Slide

Spannende plek beschrijven
Bedenk zelf een spannende plek.

Wat is er spannend aan deze plek?
Waarom voel je je daar niet op je gemak?
Wat kan er gebeuren op deze plek?
Wat gaat er mis?
Bespreek jullie spannende plekken.
Bedenk samen een oplossing voor het probleem van de ander.

Maak opdracht 15a, 15b, 15c en 15d.
Leerdoel 2
Ik kan een spannende plek beschrijven.

Slide 8 - Slide

Schrijfregel Hoofdletters en leestekens:
  • Elke zin begint met een hoofdletter.
  • Gebruik punten, vraagtekens of uitroeptekens.
  • Gebruik nooit meer dan één vraagteken of uitroepteken.
Schrijfregel Hele zinnen:

  • Elke zin heeft een onderwerp.
  • Elke zin heeft een persoonsvorm.

Voorbeeld:
Ga je mee?
Volgende week tennissen?

Slide 9 - Slide

Spannende plek beschrijven
Schrijf een stukje van een verhaal over jouw spannende plek.

Begin zo:
Wat is het hier …!

  • Beschrijf hoe de plek eruitziet.
  • Vertel waarom het spannend is.
  • Vertel hoe jij je voelt.
  • Gebruik hoofdletters, leestekens en maak hele zinnen.
  • Gebruik je antwoorden van opdracht 14 en 15.

Maak opdracht 15d in de Classroom.
Leerdoel 1, 2, 3
Ik kan iets verzinnen dat past bij de tijd van het verhaal.
Ik kan een spannende plek beschrijven.
Ik kan hele zinnen schrijven met hoofdletters en leestekens.

Slide 10 - Slide

Afsluiting
Wissel je tekst met iemand anders.
Geef feedback:
  • Wat is spannend?
  • Kloppen de zinnen?
  • Zijn de schrijfregels gevolgd?

Gebruik het feedbackformulier dat je van je docent krijgt.
Leerdoel 1, 2, 3
Ik kan iets verzinnen dat past bij de tijd van het verhaal.
Ik kan een spannende plek beschrijven.
Ik kan hele zinnen schrijven met hoofdletters en leestekens.

Slide 11 - Slide