Speler 1 : jij bent een beetje een buitenbeentje in je klas. Excentriek, onbegrepen en, je bent niet de beste in sport.
Speler 2 : jij bent Speler 1 zijn tegenpool: populair, goed in sport, etc.
Speler 2 heeft vorige week in een pestbui ten overstaan van iedereen Speler 1 laten struikelen in de kantine en nu loopt Speler 1 moeilijk. Tot je verbazing moet je toezien dat dit voor Speler 1 een geweldige aantrekkingskracht heeft op de andere leerlingen. Zelfs jouw vriend(in) ziet je niet meer staan. Je wil dat Speler 1 van jou vriend(in) weg blijft.
Jullie zitten nu op het bankje bij de rector, want je moet nablijven.