Cultuur en Hofstede (Maatschappijwetenschappen vwo), les 1: Uitleg

VORMING · CULTUUR

Cultuur en Hofstede

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

1 / 26
next
Slide 1: Slide
New lesson editorMaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Uitleg over cultuur, dominante cultuur en subcultuur, het ontstaan van de jongerencultuur, de zes dimensies van Hofstede en de kritiek op dat model, voor het vwo-examen maatschappijwetenschappen (syllabus B1, 4.4). Met 11 uitlegdia's en 8 controlevragen.

Items in this lesson

VORMING · CULTUUR

Cultuur en Hofstede

Examenstof maatschappijwetenschappen vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: B1 (4.4). Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

VORMING · CULTUUR

Wat ga je kunnen?

Ik kan cultuur, dominante cultuur en subcultuur toepassen op een casus, culturen classificeren met de zes dimensies van Hofstede en beredeneerde kritiek op dat model geven.

This item has no instructions

Wat is voor jou typisch Nederlands, en wat typisch voor jouw eigen groep?

Laat leerlingen woorden en voorbeelden inbrengen. Verwachte woorden: taal, eten, feestdagen, kleding, muziek, directheid, fietsen, gewoontes thuis, sportclub, vriendengroep. Groepeer op het bord in wat (bijna) iedereen deelt en wat alleen een groep deelt. Dat zijn de dominante cultuur en de subculturen uit blok 1. Blok 2 gaat over de jongerencultuur, blok 3 over het classificeren van culturen met Hofstede en blok 4 over kritiek en verbanden. Stereotypen over landen die leerlingen noemen, gebruik je in blok 4 bij de kritiek op het model.

VORMING · CULTUUR

Wat is cultuur?

  • Cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven.

  • Waarden zijn opvattingen over wat belangrijk is, normen zijn regels over hoe je je hoort te gedragen.

  • Immateriële aspecten van cultuur: taal, waarden en normen. Materiële aspecten: kunstobjecten, architectuur, kleding.

  • Culturen vormen zich omdat groepen mensen op elkaar aangewezen zijn en iets met elkaar (willen) delen.

  • Het resultaat is een min of meer gemeenschappelijke leefwijze die herkenbaar is voor de groep.

Syllabus 4.4: cultuur is het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven. Culturen vormen zich omdat groepen mensen op elkaar aangewezen zijn en iets met elkaar (willen) delen; ze hebben een min of meer gemeenschappelijke leefwijze die herkenbaar is aan immateriële aspecten (taal, waarden en normen) en materiële aspecten (kunstobjecten, architectuur, kleding). Hoe cultuur wordt overgedragen (socialisatie) hoort bij het onderwerp Socialisatie en identiteit; hier gaat het om wat cultuur is en hoe culturen verschillen. Hoofdconcept: vorming. Veelgemaakte fout: cultuur gelijkstellen aan kunst of uitgaan, of waarden en normen door elkaar halen. Een waarde is een opvatting over wat belangrijk is, een norm is een gedragsregel.

Bezoekers van de Albert Cuypmarkt in Amsterdam, 2023

VORMING · CULTUUR

Dominante cultuur en subcultuur

  • Dominante cultuur: de cultuur van de groep met de invloedrijkste politieke of economische positie.

  • Dat is vaak, maar niet altijd, de grootste groep.

  • Subculturen: levensstijlen die overlappen met de dominante cultuur maar er deels van afwijken.

  • Bekende voorbeelden zijn jeugd- of jongerenculturen.

Syllabus 4.4: de dominante cultuur is de cultuur van de groep in de samenleving met de invloedrijkste politieke of economische positie; dit is vaak, maar niet altijd, de grootste groep. Subculturen zijn levensstijlen die overlappen met de dominante cultuur maar er deels van afwijken. De foto toont het alledaagse van een gedeelde cultuur: taal, omgangsvormen, wat je koopt en draagt. Vraag: welke gedeelde gewoonten zie je en welke groep zou hier deels afwijken? Veelgemaakte fouten: dominant gelijkstellen aan het grootste aantal mensen, en een subcultuur zien als iets dat los staat van de samenleving. Een subcultuur overlapt juist deels. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0

Welk voorbeeld is een materieel aspect van een cultuur?

A

De taal die mensen spreken

B

De waarden van een groep

C

De architectuur van een stad

D

De normen over begroeten

Syllabus 4.4: architectuur, kunstobjecten en kleding zijn materiële aspecten. Taal, waarden en normen zijn immaterieel. Verwachte fout: taal kiezen omdat je die hoort.

Vul in: dominant en sub

De cultuur van de groep met de invloedrijkste positie heet de dominante cultuur. Een subcultuur overlapt daar deels mee en wijkt er ook deels van af.

dominante cultuur
subcultuur
deels
waarden
normen

Syllabus 4.4: Veelgemaakte fout: de twee omdraaien. De dominante cultuur gaat om de invloedrijkste positie, niet om het aantal mensen.

Provo-aanhangers op het Amstelveld, Amsterdam, juni 1966

VORMING · CULTUUR

Het ontstaan van de jongerencultuur

  • De jongerencultuur als duidelijk afgebakende subcultuur ontstond na de Tweede Wereldoorlog.

  • Oorzaken: welvaartsstijging, hoger opleidingspeil, technologie en een langere opleidingsduur.

  • Ook veranderingen in de gezinnen en meer vrije tijd gaven jongeren tijd, ruimte en geld.

  • Vaak (deels) in verzet tegen de dominante cultuur.

Syllabus 4.4: de jongerencultuur als duidelijk afgebakende subcultuur ontstond na de Tweede Wereldoorlog door welvaartsstijging, stijging van het opleidingspeil, technologische ontwikkeling, uitbreiding van de opleidingsduur, veranderingen in de gezinnen en toename van de vrije tijd. Zo kwamen er tijd, ruimte en geld voor een specifieke identiteitsontwikkeling van jongeren, vaak (deels) in verzet tegen de dominante cultuur. De foto toont aanhangers van Provo in Amsterdam, een jongerenbeweging uit de jaren zestig die zich afzette tegen de gevestigde orde. Hoofdconcept: verandering (maatschappelijke ontwikkelingen) leidt tot vorming van een nieuwe subcultuur. Veelgemaakte fout: denken dat jongeren er altijd al een eigen cultuur op nahielden. Image credit: Jac. de Nijs / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Een skater met zijn skateboard bij een wedstrijd in New York

VORMING · CULTUUR

Wat doet een jongerensubcultuur?

  • Jongeren kunnen er verschillende rollen aannemen en uitproberen.

  • Je kunt de jeugdfase ermee oprekken.

  • Een middel voor een persoonlijke identiteit, waarbij nieuwe communicatiemiddelen een rol spelen.

  • In hedendaagse subculturen zijn elementen uit Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse en Surinaamse culturen te herkennen.

Syllabus 4.4: jeugdsubculturen stellen jongeren in staat verschillende rollen aan te nemen en uit te proberen en bieden de mogelijkheid de jeugdfase op te rekken. Ze kunnen een middel zijn om een persoonlijke identiteit te ontwikkelen; nieuwe communicatiemiddelen spelen hier een rol. Door immigranten die bleven en kinderen en kleinkinderen kregen, zijn in de hedendaagse jongerensubculturen elementen uit de Marokkaanse, Turkse, Antilliaanse en Surinaamse talen en culturen te herkennen. Dat laat zien dat de dominante cultuur en subculturen op elkaar inwerken. Verband met identiteit: zie Socialisatie en identiteit. Veelgemaakte fout: een subcultuur reduceren tot een kledingstijl. Het gaat om een levensstijl waarmee je rollen en identiteit uitprobeert. Image credit: Kurt Boone Photographs / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Fans en politie bij de komst van de Beatles, Amsterdam, 1964

VORMING · CULTUUR

Binding, spanning en uitsluiting

  • Met een jongerencultuur en jongerensubculturen veranderen sociale bindingen.

  • Als bindingen veranderen, kan dat effect hebben op de sociale cohesie.

  • Sterke subculturen kunnen botsen: sterke groepsbinding tegenover banden met anderen buiten de groep.

  • Het gevolg kan in- en uitsluiting zijn: wie hoort erbij en wie niet?

Syllabus 4.4: met de ontwikkeling van een jongerencultuur en jongerensubculturen veranderen sociale bindingen. Als de bindingen in een samenleving veranderen, kan dat effect hebben op de sociale cohesie. De opkomst van sterke subculturen kan leiden tot een conflict tussen een sterke groepsbinding en het onderhouden van banden met anderen buiten de groep, met in- en uitsluiting tot gevolg. De foto toont fans bij de komst van de Beatles in 1964: sterke groepsbeleving van jongeren, waar niet iedereen in meeging. Hoofdconcept: binding. Veelgemaakte fout: denken dat subculturen altijd de samenleving verdelen. De syllabus zegt dat sterke subculturen tot zo'n conflict kunnen leiden, niet dat dit altijd gebeurt. Sociale cohesie komt uitgebreider aan bod bij Bindingen en sociale cohesie. Image credit: Hugo van Gelderen / Anefo, Nationaal Archief / Wikimedia Commons, CC0

Noem één oorzaak van de jongerencultuur.

Syllabus 4.4: goed: welvaartsstijging, hoger opleidingspeil, technologische ontwikkeling, langere opleidingsduur, veranderingen in de gezinnen of meer vrije tijd. Verwachte fout: 'jongeren willen anders zijn'. Dat is een gevolg, geen maatschappelijke ontwikkeling.

Wat kan een jongerensubcultuur voor een jongere betekenen?

A

Een manier om de jeugdfase te verkorten

B

Een bewijs dat de dominante cultuur verdwijnt

C

Een middel om een persoonlijke identiteit te ontwikkelen

D

Een garantie op een sterkere maatschappelijke positie

Syllabus 4.4: subculturen bieden de mogelijkheid de jeugdfase op te rekken, niet te verkorten, en dienen vaak als middel voor identiteitsontwikkeling. De syllabus zegt niets over een garantie op een sterkere positie.

Een Japanse theeceremonie met vaste omgangsvormen

VORMING · CULTUUR

Het model van Hofstede

  • Landen en culturen verschillen in waarden, normen en opvattingen.

  • Hofstede onderscheidt zes dimensies waarop je culturen van elkaar kunt onderscheiden.

  • Volgens het model delen inwoners van een land een dominante cultuur: gedeelde normen en waarden.

  • Overeenkomsten binnen nationale culturen zijn dan altijd groter dan de variaties binnen een land.

Syllabus 4.4: Hofstede onderscheidt zes dimensies waarop je culturen van elkaar kunt onderscheiden. Volgens dit model delen inwoners van een land een dominante cultuur, wat zich uit in gedeelde normen en waarden. Hieruit volgt dat de overeenkomsten in normen, waarden en opvattingen binnen landen, opgevat als nationale culturen, altijd groter zijn dan de variaties binnen die landen. De foto toont vaste omgangsvormen bij een Japanse theeceremonie: normen die zichtbaar worden in gedrag. Dit uitgangspunt is straks het doelwit van de kritiek. Veelgemaakte fout: denken dat Hofstede individuen indeelt. Het model deelt samenlevingen in. Image credit: KuboBella / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

VORMING · CULTUUR

De dimensies 1 tot en met 3

  • Machtsafstand: bij grote machtsafstand accepteren mensen dat macht ongelijk is verdeeld, ook op school, in het gezin en op het werk.

  • Bij kleine machtsafstand wordt machtsongelijkheid minder geaccepteerd.

  • Individualistisch: het belang van het individu gaat voor het groepsbelang en de onderlinge banden zijn los.

  • Collectivistisch: het groepsbelang prevaleert en mensen worden vanaf hun geboorte opgenomen in sterke, hechte groepen.

  • Masculien: genderrollen zijn duidelijk gescheiden. Bij feminien kunnen genderrollen elkaar overlappen.

Syllabus 4.4: de eerste drie dimensies: grote versus kleine machtsafstand (macht ongelijk verdeeld, bijvoorbeeld in politiek maar ook school, gezin of organisaties), individualistisch versus collectivistisch, masculien versus feminien (genderrollen duidelijk gescheiden of overlappend, omdat mensen minder duidelijke grenzen trekken op basis van gender). Laat leerlingen elke dimensie als een schaal met twee uitersten zien. Veelgemaakte fouten: masculien opvatten als 'mannen hebben de macht', en machtsafstand verwarren met gezag (zie Macht, gezag en participatie): het gaat om hoe ongelijk verdeelde macht geaccepteerd wordt. Collectivistisch betekent niet 'aardiger'.

VORMING · CULTUUR

De dimensies 4 tot en met 6

  • Onzekerheidsvermijding: bij hoge onzekerheidsvermijding voelen mensen zich sneller bedreigd door onbekende situaties, bij lage minder.

  • Dat uit zich op maatschappelijk niveau in meer of minder formele en informele regels.

  • Langetermijngerichtheid: gericht op beloning in de toekomst, door volharding en spaarzaamheid.

  • Kortetermijngerichtheid: nadruk op respect voor traditie, gezichtsverlies voorkomen en sociale verplichtingen nakomen.

  • Hedonisme: vrije behoeftebevrediging staat centraal. Bij soberheid reguleren strikte sociale normen het genieten.

Syllabus 4.4: de laatste drie dimensies: lage versus hoge onzekerheidsvermijding (mensen voelen zich sneller bedreigd door onzekere of onbekende situaties; meer of minder formele en informele regels), langetermijngerichtheid versus kortetermijngerichtheid, en hedonisme versus soberheid (behoeftebevrediging, genieten van het leven en plezier maken, in toom gehouden door strikte sociale normen of juist vrij). Noem zes dimensies, niet vijf: hedonisme en soberheid wordt vaak vergeten. Veelgemaakte fout: onzekerheidsvermijding opvatten als angst bij individuen, terwijl het gaat om de regels die een samenleving maakt. Ook: soberheid verwarren met armoede; het gaat om normen die genieten reguleren.

Vul in: de dimensies

Is een samenleving collectivistisch, dan prevaleert het groepsbelang. Is ze individualistisch, dan gaat het belang van het individu voor en zijn de banden los.

collectivistisch
individualistisch
feminien
masculien

Syllabus 4.4: Veelgemaakte fout: de twee uitersten omdraaien. Collectivistisch: sterke, hechte groepen. Individualistisch: losse banden.

Vul in: tijd

Bij langetermijngerichtheid streven mensen vooral via volharding en spaarzaamheid naar beloning in de toekomst.

langetermijngerichtheid
volharding
traditie
soberheid

Syllabus 4.4: Veelgemaakte fout: soberheid invullen omdat het om sparen lijkt te gaan. Soberheid hoort bij de dimensie hedonisme versus soberheid en gaat over het reguleren van genieten.

VORMING · CULTUUR

Kritiek op Hofstede

  • Het model van Hofstede is niet onomstreden.

  • Kritiek 1: een statisch idee van cultuur. Een nationale cultuur lijkt vast te liggen en nauwelijks te veranderen.

  • Kritiek 2: een homogeen idee van cultuur. Alle inwoners van een land lijken hetzelfde te denken en te doen.

  • Kritiek 3: het stigmatiserende karakter. Mensen worden vanwege hun land in een hokje gestopt.

Syllabus 4.4: kritiek op de studie van Hofstede richt zich op het statische, homogene idee van cultuur en het stigmatiserende karakter dat deze benadering zou hebben. Statisch: cultuur lijkt vast, veranderingen blijven buiten beeld. Homogeen: het model veronderstelt dat overeenkomsten binnen een land altijd groter zijn dan variatie, terwijl er verschillen bestaan tussen groepen, generaties en subculturen. Stigmatiserend: een eigenschap van een samenleving in het algemeen wordt aan alle inwoners toegedicht. Veelgemaakte fout: 'het model klopt niet' zonder uit te leggen waarom. Eis dat de leerling het kritiekpunt noemt en uitlegt.

VORMING · CULTUUR

Een cultuur classificeren

  • Lees de casus en zoek de aanwijzing: wat doen of verwachten mensen, wie heeft de macht, wat is het belang?

  • Koppel de aanwijzing aan één kant van een dimensie en noem de dimensie bij naam.

  • Voorbeeld: op een school spreekt niemand de docent tegen en iedereen vindt dat vanzelfsprekend. Dat wijst op grote machtsafstand.

  • Let op: het model beschrijft samenlevingen in het algemeen. Over één persoon zegt een dimensie niets zeker.

Syllabus 4.4: en A2 (concepten toepassen in een nieuwe context). In het examen classificeer je een cultuur of samenleving aan de hand van de dimensies en koppel je gegeven informatie uit een bron aan een concept. Noem altijd de dimensie, de kant en de aanwijzing uit de casus. Het voorbeeld in de derde bullet komt in de vragen niet terug. Veelgemaakte fout: alleen de dimensie noemen zonder aanwijzing. De laatste bullet sluit aan bij de kritiek: een dimensie beschrijft een samenleving, geen individu.

VORMING · CULTUUR

Subculturen en de kritiek op Hofstede

  • Subculturen wijken deels af van de dominante cultuur: er is dus variatie binnen één land.

  • Dat sluit slecht aan bij het uitgangspunt dat overeenkomsten binnen een land altijd groter zijn.

  • Hofstede gaat uit van een gedeelde dominante cultuur: dat maakt het model homogeen.

  • Beredeneer zo verbanden: noem het concept, de aanwijzing uit de casus en wat dat betekent voor het model.

Syllabus 4.4 en A2 (verbanden leggen tussen concepten). Dit is de verbinding tussen blok 1 en 2 en de kritiek in blok 4. Als er binnen een land subculturen zijn die deels afwijken, is de variatie binnen het land niet altijd kleiner dan de verschillen tussen landen; dat is het argument tegen het homogene cultuurbegrip. Let op: de syllabus noemt de kritiek, niet een eigen weerlegging; laat leerlingen redeneren vanuit de casus. Veelgemaakte fout: het verband alleen beweren zonder het concept te noemen of de aanwijzing uit de casus te gebruiken.

Noem één kritiekpunt op Hofstedes model.

Syllabus 4.4: goed: statisch idee van cultuur, homogeen idee van cultuur of stigmatiserend karakter. Verwachte fout: 'het is verouderd' zonder het begrip statisch of een uitleg.

Welk punt van kritiek gaat over weinig variatie binnen een land?

A

Het homogene idee van cultuur

B

Het statische idee van cultuur

C

Het aantal dimensies in het model

D

Het vergelijken van landen met elkaar

Syllabus 4.4: homogeen gaat over variatie binnen een land. Statisch gaat over verandering in de tijd. Het aantal dimensies of het vergelijken van landen is niet de kritiek uit de syllabus.

Wat vond je vandaag het lastigst?

1

Dominante cultuur en subcultuur

2

De jongerencultuur en binding

3

De zes dimensies van Hofstede

4

De kritiek op Hofstede

Gebruik de uitslag om les 2 te starten: begin bij het onderdeel dat de meeste stemmen krijgt.

Welke kritiek op Hofstede is het sterkst?

Goed antwoord: een van statisch, homogeen of stigmatiserend, met een korte reden, bijvoorbeeld subculturen die de variatie binnen een land laten zien. Verwachte fout: een oordeel zonder onderbouwing.

VORMING · CULTUUR

Begrippen (1/2)

  • cultuur: het geheel van voorstellingen, uitdrukkingsvormen, opvattingen, waarden en normen die mensen als lid van een groep of samenleving hebben verworven

  • dominante cultuur: de cultuur van de groep met de invloedrijkste politieke of economische positie

  • subcultuur: een levensstijl die overlapt met de dominante cultuur maar er deels van afwijkt

  • jongerencultuur: de afgebakende subcultuur van jongeren, ontstaan na de Tweede Wereldoorlog

  • machtsafstand: in hoeverre mensen accepteren dat macht ongelijk is verdeeld

This item has no instructions

VORMING · CULTUUR

Begrippen (2/2)

  • individualistisch / collectivistisch: het belang van het individu of van de groep gaat voor

  • masculien / feminien: genderrollen zijn duidelijk gescheiden of overlappen elkaar

  • onzekerheidsvermijding: hoe snel mensen zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties

  • lange- / kortetermijngerichtheid: beloning in de toekomst zoeken, of waarde hechten aan traditie en verplichtingen

  • hedonisme / soberheid: vrije behoeftebevrediging of genieten gereguleerd door strikte sociale normen

This item has no instructions