Vlammen van een gasbrander in het donker (foto: BogTar201213, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Vergelijkingen en soorten
Examenstof scheikunde vwo
Vlammen van een gasbrander in het donker (foto: BogTar201213, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Vergelijkingen en soorten
Examenstof scheikunde vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: R1.1, R1.2, R1.3, R1.17, R&A3.1 (formules en namen: M1.1). Image credit: BogTar201213 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan een reactievergelijking met een onbekende stof opstellen, de reactiesoort herkennen, een analoge reactie geven en redeneren met behoud van element, massa, lading en energie.
This item has no instructions
Welke reactiesoorten ken je al? Noem er zoveel mogelijk.
Verwacht: verbranding, ontleding, zuur-base, redox, neerslag, substitutie, additie, hydrolyse. Schrijf de woorden op het woordweb en laat leerlingen per soort een voorbeeld noemen. Koppel aan de les: elke reactie ordenen we naar wat er gebeurt (wat gaat er over, wat wordt afgesplitst, wat wordt vervangen) en elke vergelijking klopt in elementen en lading. Syllabus R1.1 tot en met R1.3 en R&A3.1.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Balansen en één onbekende stof
Een vergelijking klopt als de elementbalans (atomen) en de ladingsbalans links en rechts gelijk zijn.
Een coëfficiënt staat voor een formule en telt mee voor alle atomen en ladingen in die formule.
Voorbeeld: 2 Fe³⁺(aq) + Zn(s) → 2 Fe²⁺(aq) + Zn²⁺(aq): 2 Fe, 1 Zn en lading 6+ links en 6+ rechts.
Is één stof onbekend, trek dan per element links en rechts van elkaar af: wat overblijft is de onbekende stof.
CaCO₃(s) + 2 H⁺(aq) → Ca²⁺(aq) + CO₂(g) + …: er blijven 2 H en 1 O over, dus H₂O(l).
Syllabus R1.1 (coëfficiënt, elementbalans, ladingsbalans) en R1.2 (maximaal één beginstof of reactieproduct onbekend). Nagerekend: Fe 2 = 2, Zn 1 = 1, lading 2 × 3+ = 6+ en 2 × 2+ + 2+ = 6+. CaCO₃ + 2 H⁺: Ca 1, C 1, O 3, H 2, lading 2+ links; Ca²⁺ + CO₂ + H₂O: Ca 1, C 1, O 2 + 1 = 3, H 2, lading 2+ rechts. Werkwijze bij een onbekende beginstof: tel rechts alles op, trek de bekende beginstoffen links af. De onbekende stof moet ook de lading kloppend maken. Veelgemaakte fout: alleen de atomen tellen en de lading vergeten, of de formule van de onbekende stof veranderen om de balans te laten kloppen.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Volledige verbranding
Volledige verbranding van een verbinding van C, H en eventueel O geeft CO₂ en H₂O.
Tel eerst C (naar CO₂), dan H (naar H₂O) en als laatste O; de O in de stof zelf trek je af.
Octaan: 2 C₈H₁₈(l) + 25 O₂(g) → 16 CO₂(g) + 18 H₂O(g), want O rechts is 32 + 18 = 50.
Butan-1-ol bevat zelf O: C₄H₉OH + 6 O₂ → 4 CO₂ + 5 H₂O, want O links is 1 + 12 = 13 en rechts 8 + 5 = 13.
Formule uit de naam, tot tien C-atomen: pentaan is C₅H₁₂ en propan-2-ol is C₃H₇OH, dus C₃H₈O.
Syllabus R1.2: volledige verbranding van verbindingen van koolstof, waterstof en eventueel zuurstof. Syllabus M1.1 (nieuw in de nadere vaststelling): formule en naam van koolstofverbindingen met maximaal tien C-atomen, in beide richtingen. Nagerekend: octaan C 16 = 16, H 36 = 36, O 50 = 50. Butan-1-ol C 4 = 4, H 9 + 1 = 10 = 5 × 2, O 13 = 13. Waarom 2 C₈H₁₈: C₈H₁₈ + 12½ O₂ geeft een breuk, verdubbel dan alle coëfficiënten. In de vlam is water een gas; de toestand staat bij het examen meestal in de opgave. Veelgemaakte fout: de O van de stof zelf niet meetellen, of de coëfficiënt van O₂ gelijkstellen aan het aantal O-atomen.
Kaarsvlam met een geel, gloeiend deel, 2022 (foto: Kansieelina, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Onvolledige verbranding
Bij te weinig zuurstof ontstaat naast H₂O ook CO (giftig) of roet (C).
2 C₃H₈ + 7 O₂ → 6 CO + 8 H₂O en C₃H₈ + 2 O₂ → 3 C + 4 H₂O.
Het gegeven product (CO of C) bepaalt de vergelijking: tel C, H en O opnieuw.
In het gele deel van een kaarsvlam gloeien roetdeeltjes.
Syllabus R1.3: verbranding, onvolledig en volledig, herkennen. Nagerekend: 2 C₃H₈ + 7 O₂: C 6, H 16, O 14; 6 CO + 8 H₂O: C 6, H 16, O 6 + 8 = 14. Tweede vergelijking: C 3, H 8, O 4 links; C 3, H 8, O 4 rechts. Een bron van CO is een slecht afgestelde geiser of kachel: het gas is giftig en kleurloos. Veelgemaakte fout: denken dat bij onvolledige verbranding de hoeveelheid H₂O verandert; die hangt af van het aantal H in de brandstof. Image credit: Kansieelina / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
2 NaOH + H₂SO₄ → Na₂SO₄ + … Welke stof(fen) ontbreken?
2 H₂O
H₂O
2 H₂
H₂O₂
Links: Na 2, S 1, O 2 + 4 = 6, H 2 + 2 = 4. Rechts: Na₂SO₄ heeft Na 2, S 1, O 4. Er ontbreken dus 2 O en 4 H: 2 H₂O. Controle: 2 NaOH + H₂SO₄ → Na₂SO₄ + 2 H₂O, O 6 = 4 + 2 en H 4 = 4. Fouten: H₂O telt maar 2 H en 1 O; 2 H₂ bevat geen O; H₂O₂ is een andere stof. Verwachte fout: de coëfficiënt vergeten. Syllabus R1.2.
Hofmann-voltameter voor de elektrolyse van water, in een museum (foto: Mattes, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Ontleding: stroom, licht, warmte
Bij een ontleding ontstaan uit één stof twee of meer stoffen. De energievorm geeft de naam.
Elektrolyse (stroom): 2 H₂O(l) → 2 H₂(g) + O₂(g); in de voltameter ontstaat 2 : 1 gas.
Fotolyse (licht): 2 AgBr(s) → 2 Ag(s) + Br₂(l).
Thermolyse (warmte): 2 NaHCO₃(s) → Na₂CO₃(s) + H₂O(g) + CO₂(g).
Syllabus R1.3: ontledingsreactie (elektrolyse, fotolyse en thermolyse). Nagerekend: H 4 = 4, O 2 = 2; Ag 2 = 2, Br 2 = 2; Na 2, H 2, C 2, O 6 links en Na 2, C 1 + 1 = 2, O 3 + 1 + 2 = 6, H 2 rechts. De ontleding van NaHCO₃ (zuiveringszout) komt later terug in een vraag over massabehoud. Kijkvraag bij de foto: waarom heeft de ene buis twee keer zoveel gas als de andere? Antwoord: de coëfficiënten 2 H₂ en 1 O₂. Veelgemaakte fout: thermolyse en elektrolyse door elkaar halen; het gaat om de energievorm. Image credit: Mattes / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Animatie: een H⁺ gaat van HCl naar NH₃ (eigen animatie)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Zuur-base: een H⁺ springt over
Bij een zuur-basereactie gaat een H⁺ van het zuur (donor) naar de base (acceptor).
HCl + NH₃ → NH₄⁺ + Cl⁻: NH₃ neemt de H⁺ op met zijn vrije elektronenpaar.
CO₃²⁻(aq) + 2 H⁺(aq) → H₂O(l) + CO₂(g): carbonaat is de base, lading 0 = 2− + 2+.
Een zuur-basereactie is een donor-acceptorreactie: een deeltje gaat van donor naar acceptor.
Syllabus R1.3: donor-acceptorreacties, zuur-base (overdracht van H⁺). Dit onderwerp herkent alleen het type; sterkte, pH en buffers staan in aparte onderwerpen. Nagerekend: HCl + NH₃: H 4, N 1, Cl 1 links en H 4, N 1, Cl 1 rechts, lading 0 = 1+ + 1−. CO₃²⁻ + 2 H⁺: C 1, O 3, H 2 en lading 0 links; H₂O + CO₂: H 2, O 3, C 1 en lading 0 rechts. Kijkvraag bij de animatie: welk deeltje levert het elektronenpaar voor de nieuwe binding, en wie behoudt de bindende elektronen van de oude binding? Antwoord: N levert het paar, Cl houdt de bindende elektronen en wordt Cl⁻. Veelgemaakte fout: een zuur-basereactie redox noemen omdat er ladingen verschijnen. Image credit: Eigen animatie voor deze les
Brandend magnesiumlint met een felwitte vlam (foto: Capt. John Yossarian, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Redox: elektronen springen over
Bij een redoxreactie gaan elektronen van de reductor (donor) naar de oxidator (acceptor).
2 Mg(s) + O₂(g) → 2 MgO(s): elk Mg staat 2 e⁻ af (Mg²⁺), O₂ neemt ze op (O²⁻).
Ook zonder zuurstof: Zn(s) + Cu²⁺(aq) → Zn²⁺(aq) + Cu(s), lading 2+ links en 2+ rechts.
Een verbranding is meestal ook een redoxreactie. Halfreacties en sterkte: zie het onderwerp redox.
Syllabus R1.3: donor-acceptorreacties, redox (overdracht van elektronen). Nagerekend: 2 Mg en 2 O links en rechts. Elektronen: 2 Mg geven 4 e⁻ af en O₂ neemt er 4 op. Zn + Cu²⁺: 1 Zn, 1 Cu, lading 2+ aan beide kanten. Brandend magnesium alleen als demonstratie, op afstand en niet recht in de felle vlam kijken (veiligheidsbril). De exacte begrippen oxidator en reductor, halfreacties en standaardelektrodepotentialen horen bij het onderwerp redox. Veelgemaakte fout: denken dat redox alleen met zuurstof kan. Image credit: Capt. John Yossarian / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Welke reactie is een redoxreactie?
NH₃(aq) + H⁺(aq) → NH₄⁺(aq)
Ag⁺(aq) + Cl⁻(aq) → AgCl(s)
Mg(s) + 2 H⁺(aq) → Mg²⁺(aq) + H₂(g)
CaCO₃(s) → CaO(s) + CO₂(g)
In de eerste staat Mg 2 e⁻ af aan H⁺: redox. Controle: 1 Mg, 2 H, lading 2+ links en 2+ rechts. De tweede is een zuur-basereactie (H⁺ gaat over), de derde een neerslagreactie zonder overdracht van elektronen of H⁺, de vierde een thermolyse. Verwachte fout: een reactie met ionen redox noemen, of de neerslagreactie niet kunnen plaatsen. Syllabus R1.3.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Additie en substitutie
Bij additie voegt een molecuul zich toe aan een dubbele binding; er ontstaat één product.
C₂H₄ + Br₂ → C₂H₄Br₂ en C₂H₄ + H₂ → C₂H₆: de C=C wordt een enkele binding.
Bij substitutie wordt een atoom door een ander atoom vervangen; er ontstaan twee producten.
CH₄ + Cl₂ → CH₃Cl + HCl en C₆H₆ + Br₂ → C₆H₅Br + HBr: een H is vervangen door Cl of Br.
Tel de producten: bij additie één, bij substitutie twee, waarvan één het vervangen atoom bevat.
Syllabus R1.3: additie en substitutie herkennen. De uitwerking met structuurformules, 1,2- en 1,4-additie en mechanismen staat in het onderwerp organische reacties; hier gaat het om herkennen en om kloppende vergelijkingen met molecuulformules. Nagerekend: C₂H₄ + Br₂: C 2, H 4, Br 2 links en rechts. C₂H₄ + H₂: C 2, H 6 aan beide kanten. CH₄ + Cl₂: C 1, H 4, Cl 2 aan beide kanten. C₆H₆ + Br₂: C 6, H 6, Br 2 aan beide kanten. De substitutie van benzeen verloopt met een katalysator; dat is hier niet nodig. Veelgemaakte fout: condensatie en substitutie verwarren, omdat bij beide twee producten ontstaan; bij condensatie koppelen twee moleculen onder afsplitsing van een klein molecuul.
Animatie: OH van het zuur en H van de alcohol vormen water, de rest koppelt (eigen animatie)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Condensatie: ester en omestering
Bij een condensatiereactie koppelen twee moleculen onder afsplitsing van een klein molecuul, vaak H₂O.
Ester: CH₃COOH + C₂H₅OH ⇌ CH₃COOC₂H₅ + H₂O; het zuur verliest OH, de alcohol verliest H.
Omestering: een ester en een alcohol wisselen van groep en vormen een andere ester en alcohol.
CH₃COOC₂H₅ + CH₃OH ⇌ CH₃COOCH₃ + C₂H₅OH: hier ontstaat geen water.
Syllabus R1.3: condensatiereacties, vorming ester en omestering. Nagerekend: CH₃COOH + C₂H₅OH: C 4, H 10, O 3 links; CH₃COOC₂H₅ + H₂O: C 4, H 8 + 2 = 10, O 2 + 1 = 3 rechts. Omestering: C 5, H 12, O 3 links (C₄H₈O₂ + CH₄O) en C 5, H 12, O 3 rechts (C₃H₆O₂ + C₂H₆O). De dubbele pijl omdat de vorming van een ester een evenwichtsreactie is (uitleg in het onderwerp chemisch evenwicht). Namen: azijnzuur = ethaanzuur, CH₃COOC₂H₅ = ethylethanoaat. Kijkvraag bij de animatie: welke twee delen vormen samen het water, en uit welk molecuul komt elk deel? Antwoord: OH uit het zuur en H uit de alcohol. Structuurformules van de ester staan in het onderwerp organische reacties. Image credit: Eigen animatie voor deze les
Een dunne nylondraad in een demonstratieproef (foto: Friedrich Fröbel, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Amide, peptide en hydrolyse
Een amide ontstaat uit een carbonzuur en een amine, onder afsplitsing van H₂O.
Een peptide ontstaat uit aminozuren: 2 NH₂CH₂COOH → NH₂CH₂CONHCH₂COOH + H₂O.
Hydrolyse is splitsen met water: CH₃COOC₂H₅ + H₂O ⇌ CH₃COOH + C₂H₅OH.
Nylon is een polyamide: amidebindingen tussen een diamine en een dizuur.
Syllabus R1.3: condensatiereacties (amide/peptide) en hydrolyse. Nagerekend: 2 NH₂CH₂COOH (glycine): C 4, H 10, N 2, O 4; dipeptide C 4, H 8, N 2, O 3 plus H₂O (H 2, O 1) geeft C 4, H 10, N 2, O 4. Hydrolyse van de ester: C 4, H 10, O 3 aan beide kanten. De hydrolyse is het omgekeerde van de condensatie: water splitst de binding. De foto toont een nylondraad in een schoolproef; de proef doe je alleen als demonstratie met bril en handschoenen. Veelgemaakte fout: de afgesplitste H₂O vergeten in de vergelijking. Image credit: Friedrich Fröbel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
Welke vergelijking is een omestering?
HCOOH + C₂H₅OH ⇌ HCOOC₂H₅ + H₂O
HCOOCH₃ + C₂H₅OH ⇌ HCOOC₂H₅ + CH₃OH
HCOOC₂H₅ + H₂O ⇌ HCOOH + C₂H₅OH
CH₃OH + C₂H₅OH ⇌ CH₃OC₂H₅ + H₂O
Goed: een ester reageert met een alcohol en geeft een andere ester en een andere alcohol. Controle: C 4, H 10, O 3 links (C₂H₄O₂ + C₂H₆O) en rechts (C₃H₆O₂ + CH₄O). Fout 1 is de vorming van een ester uit een zuur (condensatie), fout 2 is hydrolyse van een ester, fout 3 is een condensatie van twee alcoholen tot een ether en water. Verwachte fout: elke vergelijking met een ester als omestering bestempelen. Syllabus R1.3.
Gestapelde blokken zeep, gemaakt uit olijfolie (foto: Bernard Gagnon, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Een analoge reactie beschrijven
Een analoge reactie heeft dezelfde reactiesoort en verhouding, maar vergelijkbare stoffen.
Gegeven: azijnzuur met ethanol. Analoog: CH₃CH₂COOH + CH₃OH ⇌ CH₃CH₂COOCH₃ + H₂O.
Verzeping is hydrolyse met OH⁻: CH₃COOC₂H₅ + OH⁻ → CH₃COO⁻ + C₂H₅OH.
Een vet is een ester van glycerol: zeep ontstaat analoog, met NaOH, uit vet.
Syllabus R1.17: aan de hand van een gegeven reactie een reactie met analoge verbindingen beschrijven. Werkwijze: (1) bepaal de reactiesoort, (2) wijs de groep aan die reageert, (3) vervang de stoffen door vergelijkbare stoffen met dezelfde groep, (4) maak kloppend en controleer lading. Nagerekend: propaanzuur + methanol: C 4, H 10, O 3 links; methylpropanoaat + water: C 4, H 8 + 2 = 10, O 2 + 1 = 3 rechts. Verzeping: C 4, H 9, O 3 links (C₄H₈O₂ + OH⁻) en C 4, H 9, O 3 rechts (C₂H₃O₂⁻ + C₂H₆O), lading 1− aan beide kanten. De foto toont zeep gemaakt van olijfolie. Veelgemaakte fout: de analoge reactie met een andere reactiesoort of een andere verhouding schrijven. Image credit: Bernard Gagnon / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Behoud van element, massa, lading en energie
Bij elke reactie blijven elementen en lading behouden: element- en ladingsbalans kloppen.
Massabehoud: de totale massa van de beginstoffen is gelijk aan die van de producten, gassen meegerekend.
Verhit je 8,40 g NaHCO₃ en blijft 5,30 g Na₂CO₃ over, dan is 3,10 g als H₂O en CO₂ ontsnapt.
Energiebehoud: de totale energie blijft gelijk; chemische energie wordt warmte, licht of elektrische energie.
Neem in een energiebalans alle energievormen mee, ook de warmte die naar de omgeving gaat.
Syllabus R&A3.1: elementbehoud, massabehoud, ladingbehoud en energiebehoud/energiebalans. Nagerekend: 2 NaHCO₃ → Na₂CO₃ + H₂O + CO₂. M(NaHCO₃) = 84,01 g/mol, dus 8,40 g is 0,100 mol; daaruit 0,0500 mol Na₂CO₃ (M = 105,99 g/mol) = 5,30 g. Massaverlies 8,40 − 5,30 = 3,10 g. Controle: 0,0500 mol H₂O (0,901 g) en 0,0500 mol CO₂ (2,20 g) is samen 3,10 g. Zoek de molaire massa's op in Binas of ScienceData. Rekenen met molverhoudingen verder in het onderwerp rekenen met de mol. Energie: exotherm en endotherm, energiediagrammen en reactiewarmte staan in een eigen onderwerp. Veelgemaakte fout: denken dat massa verdwijnt wanneer een gas ontsnapt.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Reactiesoort bepalen
Eén beginstof, meer producten: ontleding. Stroom, licht of warmte geeft het type.
Koolstofverbinding met O₂ en CO₂, H₂O (of CO, C) als product: verbranding.
Gaan er elektronen over, dan is het redox; gaat er een H⁺ over, dan is het zuur-base.
Twee stoffen, één product aan een C=C: additie. Een atoom vervangen, twee producten: substitutie.
Twee moleculen koppelen onder afsplitsing van H₂O (ester, amide): condensatie. Splitsen met water: hydrolyse.
Syllabus R1.3 (alle reactiesoorten). Gebruik dit overzicht als beslisboom bij examenvragen: kijk eerst naar aantal beginstoffen en producten, dan naar wat er overgaat of wordt afgesplitst. Een reactie kan bij twee soorten horen: de verbranding van magnesium is ook redox, de ontleding van water door stroom is ook redox. Vraag leerlingen bij elke vergelijking van dit onderwerp het soort te noemen en het kenmerk dat dat bewijst. Veelgemaakte fout: het soort noemen zonder het kenmerk.
Gegeven: C₂H₄ + Br₂ → C₂H₄Br₂. Wat is de analoge reactie met propeen (C₃H₆)?
C₃H₆ + Br₂ → C₃H₅Br + HBr
C₃H₆ + 2 Br₂ → C₃H₆Br₄
C₃H₈ + Br₂ → C₃H₇Br + HBr
C₃H₆ + Br₂ → C₃H₆Br₂
Analoog: dezelfde reactiesoort (additie aan C=C) en dezelfde verhouding 1 : 1. Controle: C 3, H 6, Br 2 aan beide kanten. Fout 1 is een substitutie van C₃H₆, fout 2 heeft een andere verhouding en is geen additie aan één C=C, fout 3 is een substitutie van propaan. Alle drie de foute vergelijkingen kloppen in atomen: kloppend zijn is dus niet genoeg, het gaat om de reactiesoort. Syllabus R1.17.
10,0 g CaCO₃ geeft bij open verhitten 5,6 g CaO. Hoeveel g CO₂ ontsnapt?
5,6 g
15,6 g
2,2 g
4,4 g
Massabehoud: 10,0 − 5,6 = 4,4 g CO₂. Nagerekend met de molverhouding: 10,0 g is 0,100 mol CaCO₃ en geeft 0,100 mol CaO (5,6 g) en 0,100 mol CO₂ (4,4 g). Fouten: 5,6 g is de massa CaO, 15,6 g is de som in plaats van het verschil, 2,2 g is de helft van het goede antwoord. Afronding: 10,0 en 5,6 hebben het minste aantal decimalen (1), dus 4,4 g. Syllabus R&A3.1.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Een onbekende stof afleiden
Het reactiesoort herkennen
Een analoge reactie geven
Redeneren met behoud
Gebruik de uitslag om te kiezen welk onderdeel je met een extra voorbeeld bespreekt.
Welke reactiesoorten haal je door elkaar?
Persoonlijke reflectie; geen goed of fout. Veelgenoemd: condensatie met substitutie, redox met zuur-base. Laat leerlingen een eigen voorbeeldvergelijking opschrijven met het kenmerk dat beide soorten onderscheidt.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Begrippen (1/2)
coëfficiënt: Getal vóór een formule in een reactievergelijking: het aantal deeltjes.
elementbalans: Van elk element evenveel atomen links als rechts.
ladingsbalans: Totale lading links gelijk aan totale lading rechts.
ontledingsreactie: Uit één stof ontstaan er meer: elektrolyse, fotolyse of thermolyse.
donor-acceptorreactie: Een deeltje gaat over: elektronen bij redox, H⁺ bij zuur-base.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · REACTIES · VERGELIJKINGEN
Begrippen (2/2)
condensatiereactie: Twee moleculen koppelen onder afsplitsing van een klein molecuul, vaak H₂O.
omestering: Een ester en een alcohol wisselen groepen en vormen een andere ester en alcohol.
hydrolyse: Een stof wordt met water gesplitst.
analoge reactie: Zelfde reactiesoort en verhouding met vergelijkbare stoffen.
massabehoud: De totale massa voor en na een reactie is gelijk.
This item has no instructions