2.3 Het verteringsstelsel

Voeding en vertering




Het verteringsstelsel
1 / 42
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 42 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Voeding en vertering




Het verteringsstelsel

Slide 1 - Slide

6
Voedingsstoffen

Slide 2 - Mind map

Mineralen zijn...
A
Bouwstoffen en reservestoffen
B
Bouwstoffen en brandstoffen
C
Beschermende stoffen en brandstoffen
D
Beschermende stoffen en bouwstoffen

Slide 3 - Quiz

Voedingsmiddelen en voedingsstoffen, wat is correct?
A
Voedingsmiddelen: alles wat je eet en drinkt
B
Voedingsstoffen: de onbruikbare stoffen in voedingsmiddelen
C
Voedingsmiddelen: geld om voeding te kopen
D
Voedingsstoffen: de bruikbare stoffen in voedingsmiddelen

Slide 4 - Quiz

Koolhydraten zijn:
A
Brandstoffen
B
Beschermende stoffen

Slide 5 - Quiz

In sportvoeding zitten veel eiwitten. Eiwitten zijn belangrijk voor de:
A
botten
B
hersenen
C
spieropbouw
D
nieren

Slide 6 - Quiz

Mineralen zijn een voorbeeld van bouwstoffen. Wat is een mineraal dat een bouwstof is van botten?
A
Zout
B
Kalk
C
Suiker
D
Eiwit

Slide 7 - Quiz

         Welke voedingsstoffen zijn brandstoffen?
                       Sleep ze in het juiste vak
JA
Nee
vetten
koolhydraten
vitamines
eiwitten
mineralen
water

Slide 8 - Drag question

Sleep het voedingsmiddel naar de juiste voedingsstof
eiwit
koolhydraat
Vet
water

Slide 9 - Drag question

Aan het einde van deze les kun je
  • De functie van vertering, verteringssappen en enzymen beschrijven.
  • De delen van een gebit noemen met hun functie.
  • De werking en functie van de darmperistaltiek beschrijven.

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Het verteringsstelsel
Je lichaam heeft de voedingsstoffen uit voedingsmiddelen nodig om te kunnen functioneren. 

Voordat je cellen de voedingsstoffen kunnen opnemen, moeten ze worden verteerd in het verteringsstelsel.

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Video

Slide 14 - Link

Verteringsstelsel
Hier worden voedingsstoffen uit je voedingsmiddelen opgenomen in het bloed.

  • Glucose, mineralen, water en vitaminen zijn klein genoeg en kunnen zo door de darmwand heen.
  • Eiwitten, vetten en de meeste koolhydraten zijn te groot en moeten eerst worden verteerd.

Slide 15 - Slide

Verteren
Verteren gebeurt in twee stappen:


Slide 16 - Slide

Mechanische vertering

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Video

Mechanische vertering (kauwen) zorgt voor oppervlaktevergroting

Slide 19 - Slide

Verteringssappen
Vertering gebeurt met verteringssappen. 
Die verteringssappen worden gemaakt in de verteringsklieren:


Slide 20 - Slide

Verteringssappen bevatten enzymen

Slide 21 - Slide

Chemische vertering zorgt ervoor dat stoffen in je voedsel steeds verder worden afgebroken in kleinere/andere stoffen

Slide 22 - Slide

Samenwerking
Mechanische en chemische vertering werken samen. 
Door te kauwen vergroot je het oppervlakte van je voedsel waardoor de enzymen meer oppervlakte hebben om met de chemische vertering te beginnen.

Slide 23 - Slide

Darmperistaltiek
Doordat de spieren in je darm zich afwisselend aanspannen en ontspannen, wordt je voedsel in je darm doorgeduwd.

Slide 24 - Slide

Darmperistaltiek

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

Wat is de functie van de snijtanden?
A
Fijnmalen van voedsel
B
Afbijten van voedsel
C
Voedsel verdelen in kleine stukken

Slide 27 - Quiz

Wat betekent darmperistaltiek?
A
vertering van voedsel in darm
B
vertering
C
Samenknijpen van de darm
D
kramp in maag

Slide 28 - Quiz

Enzymen zijn voor de
A
Mechanische vertering
B
Chemische vertering

Slide 29 - Quiz

De verteringsklieren zijn
A
speekselklieren, maag, darm en mond
B
speekselklieren, slokdarm, maag, lever
C
speekselklieren, maag, darm, alvleesklier
D
speekselklieren, slokdarm, alvleesklier, lever

Slide 30 - Quiz

Drie gebitselementen zijn: een hoektand,
een kies en een snijtand.
Wat voor een element uit het gebit
van een mens zie je hier?
A
Hoektand
B
Kies
C
snijtand

Slide 31 - Quiz

Wat is de belangrijkste functie van het gebit?
A
dat je er mooi uitziet
B
dat je dingen kunt afbijten
C
slikken
D
oppervlakte vergroting van het voedsel

Slide 32 - Quiz


Door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot. Waarom?
A
Speeksel werkt beter in op het voedsel
B
Het wordt niet vergroot, daar gaat het niet om
C
De dunne darm werkt beter
D
Dan werkt de dikke darm beter

Slide 33 - Quiz

Wat is de functie van speeksel?
A
Verteren van zetmeel
B
Bacteriën en ziekteverwekkers doden
C
Geeft smaak aan het eten
D
Verteren van eiwitten

Slide 34 - Quiz

Op volgorde
nr. 4, nr. 5 en nr. 8:
A
lever, maag , luchtpijp
B
maag, lever, luchtpijp
C
maag, lever, slokdarm
D
lever, maag, slokdarm

Slide 35 - Quiz

Moet WEL verteerd worden
Hoeft NIET verteerd te worden
Wordt niet verteerd
     (1 antwoord)
Eiwit
Water
Koolhydraat
Voedingsvezel
Vetten
Mineralen
Vitamine

Slide 36 - Drag question

Welke voedingsstof kan niet direct door de dunne darmwand worden opgenomen?
A
Glucose
B
Vitaminen
C
Mineralen
D
Eiwitten

Slide 37 - Quiz


Door kauwen wordt het oppervlak van het voedsel vergroot. Waarom?
A
Speeksel werkt beter in op het voedsel
B
Het wordt niet vergroot, daar gaat het niet om
C
De dunne darm werkt beter
D
Dan werkt de dikke darm beter

Slide 38 - Quiz

Welke voedingsstoffen moeten worden verteerd?
A
Vitaminen, eiwitten, koolhydraten
B
Vetten, koolhydraten, mineralen
C
Eiwitten, vetten, koolhydraten
D
Koolhydraten, vitamine, mineralen

Slide 39 - Quiz

Slide 40 - Video

Weet je het al?
  • Kan je de functie van vertering, verteringssappen en enzymen beschrijven?
  • Kan je delen van een gebit noemen met hun functie?
  • Kan je de werking en functie van de darmperistaltiek beschrijven?

Slide 41 - Slide

Aan de slag!
Thema 2 Basisstof 3
- Opdrachten 1 t/m 8
- Nakijken

Strijders
Opdracht 9 / Samenhang

Klaar?
- Alles nagekeken?
- Lezen en begin maken aan basisstof 4


Slide 42 - Slide