Voornaamwoorden 2vwo+

5 min lezen
1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

5 min lezen

Slide 1 - Slide

Planning van vandaag

- Herhaling zinsdelen
- Uitleg wederkerig en wederkerend voornaamwoord
- Uitleg aanwijzend, vragend en onbepaald voornaamwoord
- Zelfstandig werken

Slide 2 - Slide

Wat is de bijwoordelijke bepaling in deze zin:
Wanneer het weer zomer is gaat Louky zwemmen in het meer.
A
zomer
B
meer
C
Wanneer het weer zomer is
D
in het meer

Slide 3 - Quiz

Wat is het lv-zin in de volgende zin:
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet
A
de pot
B
de ketel
C
dat hij zwart ziet
D
verwijt

Slide 4 - Quiz

Wat is de bijv. bijzin in de volgende zin:
Op de markt, die vol kraampjes staat, ga ik een stroopwafel kopen.
A
op de markt
B
die vol kraampjes staat
C
ga ik
D
een stroopwafel kopen

Slide 5 - Quiz

Wederkerig en wederkerend voornaamwoord


We gaan over van zinsdelen naar woordsoorten. 
Nu krijgt elk woord zijn eigen naam.
Je kent al woordsoorten als: zn, lw, pers vnw, bez vnw en vz

Slide 6 - Slide

Wederkerig voornaamwoord

afk = wedig.vnw

Nederland kent maar een wederkerig voornaamwoord: elkaar.
Soms wordt het nog geschreven als mekaar of elkander

Slide 7 - Slide

Wederkerend voornaamwoord
afk = wed.vnw

Het onderwerp 'keert weder' door het gebruik van een vervoeging van zich.

Bijvoorbeeld: ik schaam me, jij vergist je

Slide 8 - Slide

Let op!

Woorden als me  en je zijn niet altijd wederkerig voornaamwoorden!

Bijvoorbeeld: je vergist je.
Hier staat een pers.vnw en een wed.vnw in.

Slide 9 - Slide

Welk wederkerend voornaamwoord staat in de volgende zin:
Jullie hebben je voorgenomen een goed cijfer te halen.
A
Jullie
B
hebben
C
je
D
een goed cijfer

Slide 10 - Quiz

Welk wederkerig voornaamwoord staat in de zin:
Zij helpen elkaar met het opruimen van hun spullen.
A
Zij
B
elkaar
C
het
D
hun

Slide 11 - Quiz

Wat is het wederkerend voornaamwoord in de volgende zin:
Het is onze schuld dat wij ons hebben vergist.
A
onze
B
wij
C
ons
D
dat

Slide 12 - Quiz

Even kort galgje tussendoor!

Slide 13 - Slide

Aanwijzend, vragend en onbepaald voornaamwoord

Slide 14 - Slide

Aanwijzend voornaamwoord
Afk = aanw.vnw

Het wijst een mens, dier of ding aan. Vaak staat dat zn erachter, maar anders kan je die erachter bedenken.

Aanw.vnw zijn: deze, die, dat, dit, zulk, zo'n, dergelijke, zelf, hetzelfde, dezelfde

Slide 15 - Slide

Wat is het aanw.vnw in de volgende zin:
Is het dat meisje nog gelukt de toets in te halen?
A
het
B
dat
C
gelukt
D
in

Slide 16 - Quiz

Wat is het aanw.vnw in de volgende zin:
Hij vond dit het mooiste cadeau.
A
dit
B
het
C
mooiste
D
cadeau

Slide 17 - Quiz

Vragend voornaamwoord
afk= vr.vnw

Vragend voornaamwoorden staan aan het begin van een vraag.
Of aan het begin van een zin die gemaakt is van een vraag.

Wat zijn de vragend voornaamwoorden:
wie, wat, welke, wat voor (een)

Slide 18 - Slide

Wat is het vr.vnw in de volgende zin:
Wie gaat er mee naar de Nederlandse les?
A
Wie
B
mee
C
naar
D
de

Slide 19 - Quiz

Wat is het vr.vnw in de volgende zin:
Rex vraagt aan Roos wat zij vandaag gedaan heeft.
A
vraagt
B
aan
C
wat
D
heeft

Slide 20 - Quiz

Onbepaald voornaamwoord

Slide 21 - Slide

Wat is een onbepaald voornaamwoord?
A
deze
B
wat voor een
C
zich
D
men

Slide 22 - Quiz

Wat is het onbep.vnw in deze zin:
Het voorzetsel is iets dat ik niet begrijp.
A
voorzetsel
B
iets
C
dat
D
niet

Slide 23 - Quiz

Aan de slag
Huiswerk: Cursus 5 grammatica
- §4 wederkerig en wederkerend voornaamwoord: 
           Opdracht 1 en 2.
- §6 aanwijzend, vragen en onbepaald voornaamwoord:
           Opdracht 1 en 5.

Online of in je schrift maken, dan op blz. 213 en 217

Slide 24 - Slide