M4 - lezen H1.1 t/m H1.4

Lezen 
H1.1 t/m H1.4
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Lezen 
H1.1 t/m H1.4

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

H1.1
Vooraf

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Waarom is goede
leesvaardigheid belangrijk?
A
Voor 80% v.d. banen is het noodzakelijk
B
Het is nodig voor alle schoolvakken
C
Om goed te functioneren in je dagelijks leven
D
A, B en C zijn alle drie goed

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Voor hoeveel procent bestaat het eindexamen uit leesvaardigheid?
A
ca. 55%
B
ca. 65%
C
ca. 75%
D
ca. 85%

Slide 4 - Quiz

This item has no instructions

H1.2
Soorten vragen - leesstrategieën - onderwerp
functies inleiding en slot - kernzin - deelonderwerp - hoofdgedachte - tekstverbanden & signaalwoorden - tekstdoel - etc.

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Wat moet je NIET doen bij het beantwoorden van meerkeuzevragen?
A
Goed lezen en zelf het antwoord uit de tekst halen
B
Gokken
C
Bepaalde antwoorden uitsluiten
D
Bij twijfel meer dan één antwoord aankruisen

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Wat doe je NIET als je het onderwerp van de tekst moet bepalen?
A
De hele tekst grondig lezen
B
Titel en tussenkopjes lezen
C
Eerste en laatste alinea lezen
D
Eerste zin van de overige alinea's lezen

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

inleiding
middenstuk
slot
deelonderwerpen
anekdote
samenvatting
tussenkopjes
advies
aanleiding
wens
vraag stellen
meerdere alinea's
deskundige introduceren
conclusie

Slide 8 - Drag question

This item has no instructions

Wat is de aanleiding voor het schrijven van een tekst?
1
1

Slide 9 - Open question

Hoe de schrijver op het idee is gekomen om een tekst te gaan schrijven.
Wat moet je NIET doen als je een zin moet citeren?
A
Eerste twee woorden ... laatste twee woorden
B
De hele zin overschrijven
C
De zin in eigen woorden zetten
D
Het regelnummer noemen

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de hoofdgedachte van een tekst?

Slide 11 - Open question

De hoofdgedachte is het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp van de tekst zegt in één volledige zin.

Je stelt jezelf dus de vraag: wat is het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp vertelt? Het antwoord op deze vraag is de hoofdgedachte van een tekst.
Verbanden en signaalwoorden
  1. Opsomming: zaken die bij elkaar horen worden achter elkaar opgenoemd
  2. Tegenstelling: zaken die in de tekst tegenovergesteld zijn
  3. Voorbeeld/toelichting: geeft meer info over een uitspraak die erbij staat
  4.  Chronologie: geeft tijdsvolgorde van gebeurtenissen aan
  5. Oorzaak-gevolg: noemt oorzaken en gevolgen van iets
  6. Voorwaarde: geeft aan wat er moet gebeuren voordat er iets anders kan gebeuren.
  7. Redengevend: geeft aan waarom iemand iets vindt of doet

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Signaalwoorden geven aan om welk tekstverband het gaat.
Welke signaalwoorden horen NIET bij elkaar?
A
omdat, daarom, om die reden
B
toch, maar, echter
C
eerst, ook, bijvoorbeeld
D
als...dan, op voorwaarde dat, mits

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions


Welk tekstverband tref je aan in het begin
van deze tekst?
A
opsomming
B
tegenstelling
C
voorwaarde
D
oorzaak-gevolg

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions


Om welk 
tekstverband gaat
het in deze tekst? 
A
chronologie
B
opsomming
C
reden
D
toelichting

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Een schrijver wil graag iets bereiken met zijn tekst. Dat noem je het tekstdoel. Wat is GEEN tekstdoel?
A
waarschuwen
B
afleren
C
activeren
D
instrueren

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

Welke tekstvorm hoort bij het gegeven tekstdoel?
Activeren
Amuseren
Instrueren
Waar-
schuwen
Adviseren

Slide 17 - Drag question

This item has no instructions

H1.3
Samenvatten 
hoofd- en bijzaken

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Hoofd- en bijzaken:
Wat zijn hoofdzaken?
A
De belangrijkste informatie uit de tekst
B
Extra uitleg
C
De eerste zin van elke alinea
D
De minst belangrijke informatie uit de tekst

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

Welke informatie verwerk je in een samenvatting?
A
Het onderwerp van de tekst
B
De hoofdgedachte van de tekst
C
De informatie uit de kernzinnen
D
A, B en C zijn alle drie juist

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

Wat is de kernzin van deze alinea?
A
Stikstof is het grootste bestanddeel van onze lucht.
B
Stikstof zelf is het probleem ook niet.
C
Dat zijn stikstofoxiden en ammoniak wel, twee stoffen waar stikstof in zit.
D
Maar van nature komen ze veel minder voor dan dat ze nu te vinden zijn.

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

Welke twee zinnen zet je in een samenvatting?
A
Basketbal is ... werd uitgevonden.
B
Oorspronkelijk was ... Amerikaanse mannensport.
C
Het huidige ... vrouwen beoefend.
D
Het doel ... hetzelfde doet.

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

H1.4
Advertentie:
functie afbeelding - doelgroep - tekstdoel
ideële en commerciële reclame

Slide 23 - Slide

This item has no instructions


Wat is de functie van deze afbeelding?

A
aandacht trekken
B
Informatie toevoegen
C
tekst verduidelijken

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions


Voor wie zal deze advertentie bedoeld zijn?

A
kinderen
B
jongeren
C
ouderen
D
alle lezers

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions


Welk lijstje klopt?

A
ideële reclame -product verkopen - vooral subjectief
B
commerciële reclame -product verkopen - vooral subjectief
C
ideële reclame - maatschappelijk probleem - vooral objectief
D
commerciële reclame - maatschappelijk probleem - vooral objectief

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions


Wat is de functie van deze afbeelding?
A
aandacht trekken
B
informatie toevoegen
C
tekst verduidelijken

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions


Voor wie zal deze advertentie bedoeld zijn?

A
kinderen
B
jongeren
C
ouderen
D
alle lezers

Slide 28 - Quiz

This item has no instructions


Welk lijstje klopt?

A
ideële reclame -product verkopen - vooral subjectief
B
commerciële reclame -product verkopen - vooral subjectief
C
ideële reclame - maatschappelijk probleem - vooral objectief
D
commerciële reclame - maatschappelijk probleem - vooral objectief

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions


Welke zin is op jou van toepassing?
A
Ik beheers de theorie goed, hoef alleen nog maar te oefenen.
B
Ik beheers de theorie niet goed en moet veel leren en oefenen.
C
Ik beheers de theorie redelijk, maar moet wel leren en oefenen.
D
Ik ben geschrokken van het resultaat en moet hard aan de slag.

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions