les 3 lenen

1 / 23
next
Slide 1: Video
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

time-iconLesson duration is: 120 min

Items in this lesson

Slide 1 - Video

Lesdoelen:

Slide 2 - Slide

Ons lage BTW-tarief is van 6% naar 9% gestegen. Wat is de absolute toename?
A
9-6= 3 procent
B
(9-6)/6 x 100= 50%
C
9-6 = 3 procentpunt
D
9/6 x 100= 150%

Slide 3 - Quiz

Phiene spaart € 250 tegen 1,5% per kwartaal, 3 jaar lang. Hoeveel rente verdient zij in die 3 jaar?
A
261,42
B
48,90
C
298,90
D
297,75

Slide 4 - Quiz

Phiene spaart € 250 tegen 1,5% per kwartaal, 3 jaar lang. Hoeveel rente verdient zij in die 3 jaar?
250 x 1,015 tot de macht 12 (4 kwartalen x 3 jaar)
=298,90 (eindsaldo) - 250 (beginsaldo)=
48,90 rente over die 3 jaar

kortom
(250 x 1,01512)-250= €48,90 rente

Slide 5 - Slide

Er staat €2000 op 1/1/20 op een spaarrekening. Eind april komt er €250 bij. Rente is 2,5%. Hoeveel staat er als eindsaldo op 31/12/20 op de rekening?
A
2304,17
B
54,17
C
2357,50
D
236,25

Slide 6 - Quiz

Er staat € 2000 op 1/1/20 op een spaarrekening. Eind april komt er € 250 bij. Rente is 2,5%. Hoeveel staat er als eindsaldo op 31/12/20 op de rekening?

2000 x 0,025 x 4/12= €16,67
2250 x 0,025 x 8/12= €37,50

rente jaar 2020= €54,17
+ 2250= € 2304,17 eindsaldo

Slide 7 - Slide

Jantje verdient € 6600 per maand, dat was
vorig jaar € 6280.
Welke formule gebruik je om de procentuele verandering van zijn inkomen te berekenen?
A
deel/geheel x 100%
B
terugrekenen naar 1 procent
C
nieuw-oud/ oud x 100%
D
(nieuw-oud)/ oud x 100%

Slide 8 - Quiz

Slide 9 - Video

€ 1000, aflossen in 5 jr, 6% rente 
jaar
schuld begin jaar
aflossing
rente
totaal
schuld eind jaar
1
1000
200
60
260
800
2
800
200
48
248
600
3
600
200
36
236
400
4
400
200
24
224
200
5
200
200
12
212
0

Slide 10 - Slide

maken opg 3.26 t/m 3.29
timer
10:00

Slide 11 - Slide

LENEN 
LES 2

Slide 12 - Slide

LESDOELEN
Je kent de verschillende soorten leningen

Je kunt de gevolgen van lenen beschrijven

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

geld lenen (kost geld...)
= vervroegen van consumptie, met als nadeel de betaling van rente               de consumptie wordt dus duurder!

bij elke lening moet je;
- rente betalen
                      - aflossen (terugbetalen)

Slide 16 - Slide

verschillende soorten leningen
- hypotheek (vastgoedlening met onderpand)
- persoonlijke lening (hoge lening voor dure aankoop)
- doorlopend krediet (rood staan op je betaalrekening of webshop)
- kopen op afbetaling (bij een winkel lenen)

Slide 17 - Slide

hypotheeklening
-hoog leenbedrag, alleen te gebruiken om een huis (vastgoed) mee te kopen
- relatief lage rente want:
- onderpand! (gedwongen verkoop)
- bank heeft dus grote mate van zekerheid dat het de lening terugkrijgt; hoe lager het risico hoe lager de rente

Slide 18 - Slide

Persoonlijke lening
- lening voor consumptieve uitgaven (bv een nieuwe auto)
- terugbetaling door maandelijks vast bedrag van rente en aflossing, hier zit een maximum aan

BKR: inkomens- en lastentoets: informeren naar inkomen en vaste lasten en of er al andere leningen zijn afgesloten

Slide 19 - Slide

doorlopend krediet
- 'rood staan' (negatief saldo op de betaalrekening)
- naar eigen behoefte gebruik je dit krediet, je leent als je geld nodig hebt maar kan dus ook 0 zijn
- zit ook een afgesproken maximumbedrag aan

Slide 20 - Slide

kopen op afbetaling
- aanschaf in winkel/ webshop op krediet
- je hoeft niet langs de bank; de winkel sluit het af
- klant blij; zonder te sparen, gelijk gewenste product mee naar huis
- winkel blij: rente is voor de winkel zelf

Slide 21 - Slide

Welke onderwerpen moeten we nog een keer behandelen?

Slide 22 - Open question

Maken opgave 3.30 t/m 3.35
timer
10:00

Slide 23 - Slide