Week 7 - Palliatieve sedatie en euthanasie

Week 7
Palliatieve sedatie en euthanasie




Benodigdheden: Lesson Up, laptop & KNMP Kennisbank
1 / 47
next
Slide 1: Slide
assistenten in de gezondheidszorgMBOStudiejaar 3

This lesson contains 47 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 90 min

Items in this lesson

Week 7
Palliatieve sedatie en euthanasie




Benodigdheden: Lesson Up, laptop & KNMP Kennisbank

Slide 1 - Slide

Planning (1,5 uur)
  • Kennisquiz en inleiding (10 min)
  • Achtergrond palliatieve en terminale zorg (25 min)
  • Wat is palliatieve sedatie? (5 min)
  • Pauze (5 min)
  • Euthanasie en hulp bij zelfdoding (15 min)
  • Casus dhr. Van Oudijck (20 min)
  • Afsluiting (5 min)

Slide 2 - Slide

Leerdoelen van vandaag
  • Je weet het verschil tussen palliatieve en terminale zorg;
  • Je kunt oplossingen voor medicatieproblemen aandragen in het geval van bijvoorbeeld slikproblemen;
  • Je weet welk medicijn bij palliatieve sedatie wordt toegepast;
  • Je kunt de dosering voor parenteraal toegepast medicijn berekenen en controleren; 
  • Je weet wat de zes zorgvuldigheidscriteria bij euthanasie inhouden;
  • Je weet welke medicijnen toegepast worden bij euthanasie en hulp bij zelfdoding.

Slide 3 - Slide

Stelling: Ik ga de opgegeven leerdoelen halen vandaag.
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 4 - Poll

Een andere naam voor palliatieve zorg is terminale zorg.
A
Eens
B
Oneens

Slide 5 - Quiz

Palliatieve sedatie is een goed alternatief voor euthanasie.
A
Eens
B
Oneens

Slide 6 - Quiz

Welk geneesmiddel heeft bij ouderen de voorkeur bij neuropatische pijn?
A
paracetamol
B
amitriptyline
C
nortriptyline

Slide 7 - Quiz

Met welk middel wordt euthanasie bij voorkeur uitgevoerd?
A
Pentobarbital drank
B
Propofol injectie
C
Eerst thiopental, dan rocuronium

Slide 8 - Quiz

Wat doe je bij dyspneu in de terminale fase?
A
Morfine starten of ophogen
B
Morfine afbouwen en stoppen i.v.m. ademhalingsdepressie
C
Salbutamol vernevelen

Slide 9 - Quiz

Fentanyl veroorzaakt minder vaak obstipatie dan morfine
A
Eens
B
Oneens

Slide 10 - Quiz

Wat doe je bij irritatie op de plakplaats door fentanyl pleisters?
A
Regelmatig van plakplaats wisselen
B
Vooral fluticason neusspray op de plakplaats sprayen
C
Vooraf hydrocortison zalf op de plakplaats smeren

Slide 11 - Quiz

Xylometazoline bij verstopte neus vermindert de werking van Instanyl
A
Eens
B
Oneens

Slide 12 - Quiz

Waar gaan we aan dood?
De belangrijkste oorzaken in Nederland:
  • Kanker
  • Hart- en vaatziekten
  • Ziekten van het zenuwstelsel 
  • Aandoeningen van de ademhalingsorganen

Slide 13 - Slide

Statistiek
Gemiddelde huisarts ca. 2500 pati√ęnten
- 5-6 pati√ęnten overlijden (thuis) door niet-acute aandoening
- (totaal ca. 20-25 overlijdens per jaar)
Gemiddelde apotheek ca. 8000 pati√ęnten
- 20-30 pati√ęnten overlijden (thuis) door niet-acute aandoening
- (totaal: ca 70-80 overlijdens per jaar)
Oftewel maar 0,3% van de ingeschreven pati√ęnten --> weinig

Slide 14 - Slide

Schrijf op: Wat is volgens jou palliatieve zorg?

Slide 15 - Open question

Palliatieve zorg
Vangt aan op het moment dat genezing van een levensbedreigende ziekte niet meer mogelijk is. 

Doel: 
Het bereiken van de beste kwaliteit van leven voor de pati√ęnt en diens omgeving

Slide 16 - Slide

Palliatieve vs terminale zorg

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Drie stadia in de palliatieve fase
Stadium 1: 
  • Moment dat duidelijk wordt dat genezing niet meer mogelijk is: slecht nieuws, vaak chaos, soms opluchting
  • Duurt dagen tot weken
  • Doel van behandeling in deze fase is bereiken van evenwicht (emotioneel, lichamelijk)

Slide 19 - Slide

Drie stadia in de palliatieve fase
Stadium 2:
  • Meer stabiele fase, symptomen zijn in evenwicht en op de achtergrond
  • Aanpassings- en verwerkingsproces
  • Kan dagen, maar ook maanden tot jaren duren
  • Doel van behandeling is kwaliteit van leven

Slide 20 - Slide

Drie stadia in de palliatieve fase
Stadium 3:
  • Ziekte schrijdt voort en kan niet meer worden onderdrukt, klachten komen terug of er komen nieuwe klachten
  • Terminale fase (dagen tot maanden)
  • Doel: kwaliteit van leven --> kwaliteit van sterven

Slide 21 - Slide

Slide 22 - Slide

Schrijf op: welke lichamelijke en andere problemen verwacht je in de palliatieve fase?

Slide 23 - Open question

Veel voorkomende problemen
Veel voorkomende problemen
  • Buitenwereld wordt steeds kleiner
  • Minder eten en drinken
  • Keert in zichzelf
  • Obstipatie 
  • Moeite met aanvaarden en loslaten (ook familie)
  • Hik
  • Pijn
  • Verwardheid (delier, vaker op het eind)
  • Kortademigheid
  • Misselijkheid en braken
  • Ileus
  • Mondklachten
  • Vermoeidheid (= meest voorkomend, minste te behandelen)

Slide 24 - Slide

Toedieningsroutes
We zijn gewend aan: oraal, rectaal, i.m., i.v., transdermaal

Andere routes: 
  • Sublinguaal, buccaal, intranasaal
  • Via neussonde of PEG-katheter
  • Bijna alles wat i.v. of i.m. kan, kan ook s.c.

Slide 25 - Slide

Orale toedieningsweg
  • Veel vloeibare opties (paracetamol, morfine, metoclopramide, domperidon, prednisolon, methadon)
  • Tabletten vermalen (niet bij MGA, retard, MSR, etc)
  • Hulpbron: KNMP Kennisbank Oralia, ook voor toediening door sonde

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide

Oefenen
  • Pati√ęnt gebruikt metoprololsuccinaat, maar heeft slikproblemen. Wat te doen? 
  • Pati√ęnt heeft een maagsonde. Arts wil omeprazol geven. Welke toedieningsvorm(en) is/zijn geschikt?

Slide 28 - Slide

Rectale toedieningsweg
Wisselende absorptie
Goed: paracetamol, metoclopramide, diazepam (rectiole)
Matig: morfine (morfine retardtablet rectaal toegediend), naproxen

Opname erg onvoorspelbaar in terminale fase door wisselende lichaamstemperatuur!

Slide 29 - Slide

Sublinguaal/buccaal
Snelle opname, soms vieze smaak: 
Voorbeelden: 
  • Zofran smelttablet
  • Abstral smelttablet
  • Haldol druppels (onder de tong)
  • Actiq in de wangzak (buccaal)

Slide 30 - Slide

Transdermale toediening
Voorbeelden: 
Fentanyl pleister
Nicotine pleister
Buprenorfine pleister

Bij irritatie pleister: corticostero√Įdneusspray op plakplek sprayen en laten drogen, daarna pleister + wisselen plakplek

Slide 31 - Slide

Subcutane toedoening
Veel kan subcutaan! 
Minder pijnlijk dan i.m., eenvoudiger dan i.v., maar wel minder snel. 
Voorbeelden: metoclopramide, haloperidol, furosemide, levomepromazine, dexamethason, midazolam, fentanyl/methason/oxycodon

Slide 32 - Slide

Palliatieve sedatie
  • Opzettelijk verlagen van het bewustzijn
  • Niet bedoeld om leven te verkorten
  • Maar om onbehandelbaar lijden te behandelen
  • Normaal medisch handelen
  • Niet te vroeg beginnen
  • Bij pijn, kortademigheid, delier

Slide 33 - Slide

Palliatieve sedatie
Mate van sedatie: oppervlakkig/diep (diep: levensverwachting max 14 dgn)
Duur van sedatie: intermitterend/continu
Uitvoering: 
1. Midazolam s.c. (meestal pomp)
2. bij onvoldoende effect: levomepromazine toevoegen
3. bij onvoldoende effect: propofol (via anesthesist)
Alle medicatie staken (afbouwen) m.u.v. opio√Įden, haloperidol en dexamethason

Slide 34 - Slide

Palliatieve sedatie
Verder niet vergeten: 
Nicotinepleister bij roker plakken
Voeding en vocht staken (bij diepe continue sedatie)
Denk aan blaaskatheter, wondverzorging, voorkomen van decubitus (Barriere cr√®me), etc. 

Slide 35 - Slide

Euthanasie
Er is sprake van euthanasie als iemand op verzoek van een ander zijn of haar leven be√ęindigt. 
Dit is strafbaar, tenzij het door een arts gebeurt die daarbij de zorgvuldigheidscriteria in acht neemt. 

Slide 36 - Slide

Zes zorgvuldigheidseisen
1. Arts is ervan overtuigd dat pati√ęnt een vrijwillig en weloverwogen verzoek tot euthanasie doet. 
2. De arts is ervan overtuigd dat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden: de pati√ęnt kan niet meer genezen/de pati√ęnt lijdt onnodig en dit kan niet verminderd worden.
3. Arts dient pati√ęnt informatie over situatie en vooruitzicht te hebben gegeven.

Slide 37 - Slide

Zes zorgvuldigheidseisen
4. De arts moet samen met pati√ęnt besluiten dat er geen redelijke andere oplossing is. 
5. De arts heeft minstens een andere onafhankelijke arts (SCEN-arts) geraadpleegd. Deze moet de pati√ęnt zien en mag niet betrokken zijn bij de behandeling of pati√ęnt persoonlijk kennen. 
6. Arts moet op medisch zorgvuldige manier uitvoeren. 

Slide 38 - Slide

Procedure arts & apotheker
1. Tijdig aankondigen bij de apotheker
2. Mondeling contact vooraf en achteraf. 
3. Apotheker maakt euthanatica gereed (soms doet arts het zelf) + noodset en spreekt procedure door met arts.
4. Arts bewaart euthanatica deugdelijk. 
5. Tijdens uitvoering blijft arts aanwezig.
6. Gemeentelijk lijkschouwer moet controleren welke middelen zijn gebruikt (ge√ętiketteerde spuiten).

Slide 39 - Slide

Slide 40 - Slide

Intraveneuze methode
1. Lidoca√Įne - ter verdoving van de injectieplek
2. Thiopental - een coma-inductor
3. Natriumchloride - doorspuiten van de infuuslijn
4. Rocuronium - spierverslapper
5. Natriumchloride - doorspuiten van de infuuslijn

Slide 41 - Slide

Orale methode (hulp bij zelfdoding)
  • De arts neemt altijd een extra set intraveneuze euthanatica en materialen voor bereiding en uitvoering mee. 
  • Start 12 uur van tevoren met toedienen metoclopramide: 12 uur ervoor, 6 uur ervoor en 1 uur ervoor. 
  • Barbituraatdrank (pentobarbitol - vieze bittere nasmaak) - coma-inductor

Slide 42 - Slide

Slide 43 - Slide

Leerdoelen van vandaag
  • Je weet het verschil tussen palliatieve en terminale zorg;
  • Je kunt oplossingen voor medicatieproblemen aandragen in het geval van bijvoorbeeld slikproblemen;
  • Je weet welk medicijn bij palliatieve sedatie wordt toegepast;
  • Je kunt de dosering voor parenteraal toegepast medicijn berekenen en controleren; 
  • Je weet wat de zes zorgvuldigheidscriteria bij euthanasie inhouden;
  • Je weet welke medicijnen toegepast worden bij euthanasie en hulp bij zelfdoding

Slide 44 - Slide

Stelling:
Ik heb de leerdoelen voor vandaag gehaald.
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 45 - Poll

Volgende week

Toets

Neem de opdrachten handgeschreven mee, anders geen deelname aan toets. 

Slide 46 - Slide

Volgende week
Maak de inleidende opdrachten in de reader bij week 8:
  • Plaatjes huidaandoeningen
  • Casus met vragen

Slide 47 - Slide