This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slide.
Report this lesson
Items in this lesson
Toets
H3
Licht
Basis
3
Slide 1 - Slide
Maak vraag 1 op het werkblad.
Typ 'gedaan' als je de vragen hebt gemaakt!
Slide 2 - Open question
Maak vraag 2 op het werkblad.
Typ 'gedaan' als je de vragen hebt gemaakt!
Slide 3 - Open question
Maak vraag 3 op het werkblad.
Typ 'gedaan' als je de vragen hebt gemaakt!
Slide 4 - Open question
Je schijnt in het donker met blauw licht op een rode scooter. In welke kleur zie je de scooter?
Slide 5 - Open question
De bekende Isaac Newton liet zonlicht op een prisma vallen. Hij liet zien dat wit (zon-)licht uit verschillende kleuren licht bestaat. Dit zijn dezelfde kleuren die in de regenboog te vinden zijn.
Geef de andere naam voor de rij kleuren.
Slide 6 - Open question
Sleep de juiste woorden naar het goede nummer!
netvlies
pupil
iris
hoornvlies
Slide 7 - Drag question
Hieronder zie je twee afbeeldingen van lenzen die licht breken. Sleep een kruis naar het goede vakje,welke lens de zwakke en welke lens de sterke lens is.
X
X
Slide 8 - Drag question
Sleep de juiste woorden naar de holle of bolle lens
Positief
Negatief
Convergerend
Divergerend
Lichtstralen komen bij elkaar
Lichtstralen gaan uit elkaar
Slide 9 - Drag question
Sleep de woorden witte of zwarte naar de goede plek in de zin.
In de zomer is een jas warmer dan een
jas.
Een auto is 's zomers koeler dan een
auto.
zwarte
witte
zwarte
witte
Slide 10 - Drag question
In zonlicht komen ook andere soorten licht voor: infrarood en ultraviolet licht.
Welk soort licht kan een mens niet zien?
A
alleen infrarood licht
B
alleen ultraviolet licht
C
zowel infrarood als ultraviolet
D
wit licht
Slide 11 - Quiz
Voorwerpen kunnen licht doorlaten, terugkaatsen of absorberen.
Welk begrip past bij het opnemen van licht?
A
doorlaten
B
terugkaatsen
C
absorberen
D
convergeren
Slide 12 - Quiz
De zon schijnt op een groene plant. Het zonlicht wordt teruggekaatst door de groene bladeren. Een deel van het zonlicht wordt door de bladeren opgenomen. Wat gebeurt er met het opgenomen licht?
A
Het licht geeft kleur aan het blad.
B
Het licht wordt gereflecteerd.
C
Het licht wordt omgezet in ultraviolette straling.
D
Het licht wordt omgezet in warmte.
Slide 13 - Quiz
Jan heeft op z’n verjaardag een rode scooter gekregen. De scooter staat in de zon. Waarom zie jij de kleur van de scooter als rood?
A
De lak absorbeert rood en kaatst alle overige kleuren terug.
B
De lak absorbeert alle kleuren en kaatst rood terug.
C
De lak absorbeert alle kleuren en kaatst niets terug.
D
De lak absorbeert niets en kaatst alle kleuren terug.
Slide 14 - Quiz
Mark kijkt op de torenklok hoe laat het is. Wat gebeurt er met zijn ooglenzen als hij daarna op zijn horloge kijkt?
A
Zijn ooglenzen worden boller.
B
Zijn ooglenzen worden minder bol.
C
Er gebeurt niets met zijn ooglenzen.
Slide 15 - Quiz
Omdat Mark niet altijd even goed ziet, gaat hij naar de oogarts.
De oogarts zegt dat Mark een bril nodig heeft, omdat hij bijziend is.
Wat betekent bijziend?
A
Zonder bril kun je alleen dichtbij scherp zien.
B
Zonder bril kun je alleen veraf scherp zien.
C
Zonder bril kun je dichtbij en veraf scherp zien, maar daartussen niet.
D
Zonder bril kun je helemaal niets scherp zien.
Slide 16 - Quiz
Wat is accommoderen?
A
Regelen van de hoeveelheid licht dat in het oog mag komen.
B
Scherpstellen van het oog door de bolling van de ooglens te veranderen.
C
Scherpstellen van het oog door de iris te vergroten of te verkleinen.
Slide 17 - Quiz
Welke lens/lenzen is/zijn negatief?
A
linker lens
B
middelste lens
C
rechter lens
D
linker en rechter lens
Slide 18 - Quiz
Jones is bijziend. Jones kan veraf scherp zien.
A
waar
B
niet waar
Slide 19 - Quiz
De zon is een directe lichtbron en de maan is een indirecte lichtbron.
A
waar
B
niet waar
Slide 20 - Quiz
In de afbeelding zie je een lichtbundel. Wat voor soort lichtbundel is dit?