Eutrofiëring havo

Eutrofiëring
Oefenen
1 / 36
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 36 slides, with interactive quizzes, text slides and 3 videos.

Items in this lesson

Eutrofiëring
Oefenen

Slide 1 - Slide

Eutrofiëring

Lees de tekst Eutrofiëring op bladzijde 218 en 219 in je boek

Slide 2 - Slide

Voedingsstoffen voor plantengroei
Naast koolstof (via CO2)
en Stikstof (via Nitraat)
neemt de plant andere mineralen op voor groei:
Fosfor (P)
Kalium (K)
Ijzer (Fe)

Slide 3 - Slide

Bemesting 
Planten worden bemest met kunstmest

Kunstmest bestaat uit o.a.:
Stikstof
Fosfaat 
Kalium 

Slide 4 - Slide

Uitspoeling van kunstmest 
Plant kan niet snel alle mineralen opnemen 
->
Regen
->
 er vindt uitspoeling plaats naar de sloot

Slide 5 - Slide

Eutrofiëring 

Slide 6 - Slide

Eutrofiëring in het kort
Door overbemesting treedt eutrofiëring van het water op. De hoeveelheid mineralen neemt sterk toe.
  • Door eutrofiëring kunnen algen goed groeien: waterbloei
  • Hierdoor wordt de hoeveelheid licht op de bodem minder
  • Planten die onder water leven gaan dood 
  • Zuurstof te kort (reducenten gebruiken O2)
  • Dieren gaan dood door zuurstof tekort --> o.a. vissterfte

Slide 7 - Slide

Lees de teksten op de volgende dia's en maak de bijbehorende vragen 

Slide 9 - Slide

Algen
Een klein meer kan eutrofiëren doordat mensen in het meer zwemmen en daarbij in het water plassen. Doordat mensen in het water plassen, komen er meer algen.

Slide 10 - Slide

Leg uit hoe de urine ervoor zorgt dat er meer algen komen. Gebruik je Binas! (Hint: wat zit er in urine?)

Slide 11 - Open question

Watervlooien
Bij eutrofiëring nemen de watervlooien eerst sterk toe. Als de eutrofiëring doorgaat, sterven ze uiteindelijk allemaal.

Slide 12 - Slide

Waardoor sterven de watervlooien uiteindelijk allemaal?

Slide 13 - Open question

Waardoor nemen de watervlooien eerst toe?

Slide 14 - Open question

De snoek
Als een zoetwater ecosysteem eutrofieert, neemt het aantal snoeken af. Uiteindelijk blijven er geen snoeken over.

Slide 15 - Slide

Welke drie gebeurtenissen die optreden bij eutrofiëring zijn nadelig voor de snoek?

Slide 16 - Open question

Waterplanten
In een geëutrofieerd ecosysteem komen geen ondergedoken waterplanten voor.

Slide 17 - Slide

Waardoor sterven ondergedoken waterplanten bij eutrofiëring?

Slide 18 - Open question

Het zuurstofgebrek
Door eutrofiëring neemt de hoeveelheid zuurstof in het water af.
Eerst is de hoeveelheid zuurstof vooral in de vroege ochtend erg laag. Later kunnen er zelfs overdag, dieper in het water compleet zuurstofloze omstandigheden ontstaan.

Slide 19 - Slide

Waardoor wordt het gebrek aan zuurstof veroorzaakt?

Slide 20 - Open question

Vragen
Gebruik je BiNaS!

Slide 21 - Slide

Wie kan er nitraat opnemen uit de bodem?
A
Paddenstoel
B
Algeneter
C
Eik
D
Bacterie

Slide 22 - Quiz

Welke organismen doen aan ammonificatie?
A
Producenten
B
Consumenten van de 1e orde
C
Consumenten van de 2e orde
D
Reducenten

Slide 23 - Quiz

Bij welk proces verdwijnt stikstof uit de bodem?
A
Nitrificatie
B
Denitrificatie
C
Ammonificatie
D
Stikstofbinding

Slide 24 - Quiz

Welk proces zet ammoniak (NH₃) of ammonium (NH₄⁺) om in nitraat?
A
Nitrificatie
B
Denitrificatie
C
Ammonificatie
D
Stikstofbinding

Slide 25 - Quiz

Welke vorm van stikstof neemt de producent op?
A
Nitriet
B
Nitraat
C
Ammonium
D
N2

Slide 26 - Quiz

Wat is het nut van de knolletjes bacteriën voor planten?
A
Bescherming tegen ziektes
B
Maken van stikstof uit de lucht organische stof
C
Maken stikstof uit de lucht beschikbaar
D
Helpen bij afbraak van stikstof

Slide 27 - Quiz

Welk organisme profiteert als eerste van extra voedingsstoffen in het water?
A
Snoek
B
Brasem
C
Watervlooien
D
Algen (en sommige waterplanten)

Slide 28 - Quiz

Welke van de onderstaande stoffen is GEEN mineraal
A
Glucose
B
Nitraat
C
Kalium
D
Calcium

Slide 29 - Quiz

Examenvraag
De invloed van eutrofiëring op de samenstelling van de visgemeenschap in een meer is vastgesteld aan de hand van vangsten gedurende een aantal jaren. De massa's van de verschillende soorten vis worden met elkaar vergeleken. In het diagram zijn de hoeveelheden brasem uitgezet tegen de totale vangst van andere vissen. Blankvoorns gebruiken hun ogen bij het jagen.
  • Heeft vangst P vóór of na eutrofiëring plaatsgevonden?

Slide 30 - Slide

Vangst P heeft..
A
vóór eutrofiering plaatsgevonden
B
na eutrofiering plaatsgevonden

Slide 31 - Quiz

Slide 32 - Video

Slide 33 - Video

Slide 34 - Video

Eutrofiëring 
leg de kaartjes op de goede volgorde:
In tweetallen
Gebruik je boek
7 minuten 

Tip 1: De snoek gebruikt zijn ogen om op de brasem te jagen
Tip 2: Denk aan de voedselketen -> wie eet wie?
timer
7:00

Slide 35 - Slide

Eutrofiëring 

Slide 36 - Slide