22/6 WKMD Grammatica H3 en H5 Code+

                                          Welkom!
1 / 43
next
Slide 1: Slide
NT2ISK

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 70 min

Items in this lesson

                                          Welkom!

Slide 1 - Slide

Startklaar
  • Op je plek zitten 
  • Telefoon in de kluis
  • Jas over de stoel, oortjes in de tas, tas op de grond
  • Schoolspullen op tafel: Boek, Chromebook, JdW-map, etui 

Slide 2 - Slide

Planning maandag 22 juni
  • NOS Jeugdjournaal
  • Grammatica Code+ (H3 en H5)
  • woorden leren en werken in Code+

Slide 3 - Slide

NOS Jeugdjournaal
  • wie?
  • wat?
  • waar?
  • wanneer?
  • waarom?
  • hoe? 

Slide 4 - Slide

 lesdoelen 
  • Ik weet wanneer ik geen of niet moet gebruiken. (H3)

Slide 5 - Slide

 lesdoelen 
  • Ik weet wanneer ik welk persoonlijk voornaamwoord (pronomen) moet gebruiken (H5)

Slide 6 - Slide

Geen of niet? (Code+ H3)

Slide 7 - Slide

Wat is juist?

Ik lust ... appels.
A
Geen
B
Niet

Slide 8 - Quiz

Wat is juist?

Ik heb ... auto.
A
Niet
B
Geen

Slide 9 - Quiz

Wat is juist?

Ik hou......van melk.
A
Niet
B
Geen

Slide 10 - Quiz

Geen
= voor het zelfstandig naamwoord  

Bv. Ik heb geen fiets
Bv. Wij hebben geen jas
Bv. De man drinkt geen water.

Slide 11 - Slide

Niet 
=de hele zin ontkennen

Bv. Ik drink niet graag koffie
Bv. Ik draag niet graag een rok
Bv. Ik speel niet graag voetbal

Slide 12 - Slide

Wat is juist?

Ik heb ... jurk.
A
Niet
B
Geen

Slide 13 - Quiz

Wat is juist?

Ik vind mijn T-shirt ...leuk.
A
Geen
B
Niet

Slide 14 - Quiz

Wat is juist?

Ik draag.............graag een broek.
A
geen
B
niet

Slide 15 - Quiz

werkblad vraagzinnen H3

Slide 16 - Slide

 lesdoelen Code+ H5
  • Ik weet wanneer ik welk persoonlijk voornaamwoord (pronomen) moet gebruiken (H5)

Slide 17 - Slide

Possessief pronomen
Ik - mijn
Jij - jouw
Hij - zijn
Zij - haar
U - uw 

Wij - ons/onze
Jullie - Jullie
Zij - hun

Personaal pronomen
Subject

Ik ga naar de supermarkt.
Ik
Jij
Hij
Zij
U

Wij
Jullie
Zij

Zij is ziek.
Jullie willen naar de bioscoop.

Slide 18 - Slide

Possessief pronomen
Ik - mijn
Jij - jouw
Hij - zijn
Zij - haar
U - uw 

Wij - ons/onze
Jullie - Jullie
Zij - hun

Personaal pronomen
Object
Me
Je
U
Hem
Haar

Ons
Jullie
Ze/hen

Slide 19 - Slide

Possessief pronomen
Ik - mijn
Jij - jouw
Hij - zijn
Zij - haar
U - uw 

Wij - ons/onze
Jullie - Jullie
Zij - hun

Personaal pronomen
Object
Me
Je
U
Hem
Haar

Ons
Jullie
Ze/hen

Ik ga met je naar de supermarkt.
Jullie geven me een cadeau.
We luisteren naar hem.

Slide 20 - Slide

Possessief pronomen
Ik - mijn
Jij - jouw
Hij - zijn
Zij - haar
U - uw 

Wij - ons/onze
Jullie - Jullie
Zij - hun

Personaal pronomen
Subject

Object
Ik
Jij
Hij
Zij
U

Wij
Jullie
Zij

Me
Je
Hem
Haar
U

Ons
Jullie
Ze/hen

Slide 21 - Slide

De docent geeft we de toets.
A
Goed
B
Niet goed

Slide 22 - Quiz

Ik ben hier. Waarom ziet de man me niet?
A
Goed
B
Niet goed

Slide 23 - Quiz

De man helpt zij.
A
Goed
B
Niet goed

Slide 24 - Quiz

Zijn dat Adam en Sarah? Ik ken ze niet.
A
Goed
B
Niet goed

Slide 25 - Quiz

Ik heb een probleem. Kun je me helpen?
A
Goed
B
Niet goed

Slide 26 - Quiz

Waar ben je? Ik wacht al een uur op jij!
A
Goed
B
Niet goed

Slide 27 - Quiz

De kinderen zijn op school. Layla haalt .... om 15:00 uur op.
A
hen
B
hun

Slide 28 - Quiz

Wat zegt die man? Ik versta .... niet goed.
A
haar
B
hem
C
ze

Slide 29 - Quiz

werkblad bij H5

Slide 30 - Slide

Klaar? werken in Code+

Slide 31 - Slide

Dankjewel! Tot de volgende keer!

Slide 32 - Slide

Klare Taal bij Code+
  • Code+ H 3: les 13 en 15 oefeningen bij de vraagzinnen
  • Code+ H 5: uitleg hierna en oefeningen bij inversie (met tijd in de zin)

Slide 33 - Slide

Zet de zin in de goede volgorde
1. onderwerp (wie/wat)
2. persoonsvorm (werkwoord)
3. de rest

Slide 34 - Slide

volgorde in gewone zin: ow-pv-rest
In een gewone zin begin je met het onderwerp (persoon) en daarna de persoonsvorm (werkwoord.)
Voorbeeld :
loopt - Mieke - met haar hond ->
Mieke loopt met haar hond.



Slide 35 - Slide

volgorde in zin met tijd: tijd-pv-ow-rest
In een zin die begint met een tijd, plaats je daarna de persoonsvorm (werkwoord.) en dan het onderwerp. (persoon)
Voorbeeld :
Op dinsdag ga ik naar de sportschool.
Vandaag lezen wij een boek.
Straks eten wij de lunch.



Slide 36 - Slide

Zet de zinsdelen in de goede volgorde. Begin met de tijd.
elke ochtend - naar de televisie. - kijk - ik

Slide 37 - Open question

Zet de zinsdelen in de goede volgorde. Begin met de tijd.
de boodschappen. -doet - op zaterdag - Mijn tante

Slide 38 - Open question

Zet de zinsdelen in de goede volgorde. Begin met de tijd.
naar het zwembad. - gaat - in de zomer - Sanne -

Slide 39 - Open question

Welke zinnen zijn goed?
1. We drinken koffie en eten we een koekje.
2. Ik lees een boek, want ik hou van lezen.
3. Morgen ik ga niet naar school, maar ik ga naar de stad.
4. Esra fietst naar Den Haag, omdat ze houdt van fietsen.
5. Toen de bus kwam, ik ging in de bus.
6. De les is klaar, dus ga ik naar huis.
OPDRACHT: SCHRIJF DE ZINNEN GOED OP!

Slide 40 - Slide

Klare Taal bij Code+
  • Code+ H 5:  les 73 oefeningen met hulpwerkwoorden (+ les 31) oefeningen bij inversie met tijd in de zin)

Slide 41 - Slide

Samen een verhaal maken
  • Het verhaal gaat over......
  • Zij/Hij is......jaar oud.
  • Zij/Hij woont in.....(plaats ,huis, stad, dorp enz.)
  • Zij/hij komt uit..... (land)
  • Ze/hij heeft..... enz. (kinderen, huisdieren)
  • Ze/hij woont samen met.....
  • Ze/hij heeft.....(kleur haar, ogen, kleding)

Slide 42 - Slide

Een verhaal (story, hikaye, قصة,історія,روایت)
  • Je krijgt de bal. Je zegt een zin.
  • Je mag zelf iets bedenken.
  • We maken zo samen een verhaal.
  • Voorbeeld zin 1: Het verhaal gaat over......
  • Zij/Hij is......jaar oud.
  • Zij/Hij woont in.....
  • Ze heeft..... enz. 

Slide 43 - Slide