woensdag 28 januari 2026

woensdag 28 januari 2026
1 / 13
next
Slide 1: Slide
TaalISK

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

woensdag 28 januari 2026

Slide 1 - Slide

Grammatica Les 36
Vandaag gaan we  de  VERLEDEN TIJD behandelen
Aan het eind van de les weet  je hoe je de verleden tijd  moet gebruiken.

Slide 2 - Slide

VERLEDEN TIJD
De verleden tijd gebruik je om te vertellen hoe het vroeger was of wat er vroeger is gebeurd.

Slide 3 - Slide

GEBRUIK
  • Nja woonde vroeger in Vietnam. 
  • Zij trouwde met een man uit Nederland.
  • Zij reisde met het vliegtuig naar Nederland.

  • Abdi en Jacfer woonden vroeger in Somalië.
  • Zij vluchtten naar Nederland.
  • Daar woonden zij een half jaar in een opvangcentrum.
  • Nu wonen zij in een gewoon huis.

Slide 4 - Slide

VORM
  • vluchten                                  vluchtten 
  • trouwen                                   trouwde
  • reizen                                        reisde
  • wonen                                      woonden
  • wonen                                      woonde
Ook hierbij kan 't Kofschip weer gebruikt worden

Slide 5 - Slide

De verleden tijd wordt gevormd door de volgende vormen achter de stam van het werkwoord te zetten:
-de / -te in het enkelvoud
-den / -ten in het meervoud
Als de laatste medeklinker van de stam in 't kofschip staat, komt er -t(en) achter de stam; in het andere geval -de(n)

Slide 6 - Slide

Oefeningen
Jullie gaan nu de oefeningen van het werkblad maken. Kijk goed naar de voorbeelden op het werkblad.
SUCCES!

Slide 7 - Slide

Voorbeelden
werkwoord                                       vervoeging
reizen                                                  ik reisde                              wij reisden
stam: reiz ( valse -s : reis)          jij/u reisde                          jullie reisden
de z staat niet in 't kofschip     hij/zij reisde                       zij reisden

Andere voorbeelden staan op het werkblad 

Slide 8 - Slide

Antwoorden Oefening 1
  1. Waar woonde jij?
  2. Hoe heette hij?
  3. Hoe reisde je?
  4. Hoe vluchtte hij?
  5. Wat hoorde je?
  6. Wie praatte zo hard? 

Slide 9 - Slide

Antwoorden oefening 2
  1. het regende              het heeft geregend
  2. het sneeuwde          het heeft gesneeuwd
  3. het hagelde               het heeft gehageld
  4. het waaide                 het heeft gewaaid
  5. het stormde              het heeft gestormd 

Slide 10 - Slide

Antwoorden oefening 3
  1. De jongens speelden op straat met een bal.
  2. Een jongen schopte de bal door een raam.
  3. De kinderen renden weg.
  4. De bewoner van het huis belde de politie.
  5. Hij vertelde alles.
  6. De schilder zette een nieuwe ruit in. 

Slide 11 - Slide

Antwoorden oefening 4
  1. De jongens hebben op straat met een bal gespeeld.
  2. Een jongen heeft de bal door een raam geschopt.
  3. De kinderen zijn weggerend.
  4. De bewoner van het huis heeft de politie opgebeld.
  5. Hij heeft alles verteld.
  6. De schilder heeft een nieuwe ruit ingezet. 

Slide 12 - Slide

Antwoorden oefening 5
  1. rende
  2. haalde
  3. draaide
  4. hoorden
  5. renden
  6. vluchtte, speelde 

Slide 13 - Slide