1Havo Spelling werkwoorden H1

Volgende week vrijdag s.o spelling

leer de theorie en de oefening van blz 34-37
1 / 31
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Volgende week vrijdag s.o spelling

leer de theorie en de oefening van blz 34-37

Slide 1 - Slide

Voorkennis:
Wat zijn werkwoorden?
Wat is een persoonsvorm en hoe kun je die vinden?
Wat is het verschil tussen tegenwoordige tijd en verleden tijd?


Mondeling bespreken

Slide 2 - Slide

Spelling werkwoorden
Er bestaan verschillende soorten werkwoorden. 
Bij iedere werkwoordsvorm moet je andere spellingregels toepassen.
In deze les gaan we het hebben over de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt)

Slide 3 - Slide

Persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt)
1. Bepaal altijd eerst de ik-vorm van het werkwoord. Je vindt deze door -en van het hele werkwoord (infinitief) af te halen.
Bijvoorbeeld:
Infinitief = worden
ik-vorm = word



Slide 4 - Slide

Wat is de ik-vorm van 'bereiden'?

Slide 5 - Open question

PVTT
Soms moet je bij de ik-vorm een letter weglaten:
Infinitief = zetten en ik-vorm = zet
Soms moet je bij de ik-vorm een letter toevoegen:
Infinitief = raden en ik-vorm = raad
Soms moet je bij de ik-vorm een letter veranderen:
Infinitief = lezen en ik-vorm = lees

Slide 6 - Slide

Wat is de ik-vorm van wrijven?
A
wrijv
B
wraaf
C
wrijven
D
wrijf

Slide 7 - Quiz

Wat is de ik-vorm van ontsnappen?
A
ontsnaap
B
ontsnap
C
ontsnappe
D
ontsniep

Slide 8 - Quiz

Wat is de ik-vorm van zaaien?
A
zaai
B
zaaien
C
saai
D
zai

Slide 9 - Quiz

Wat is de ik-vorm van schrobben?
A
schroobb
B
schrobb
C
schroob
D
schrob

Slide 10 - Quiz

Wat is de ik-vorm van blazen?
A
blaaz
B
blaz
C
blaas
D
blas

Slide 11 - Quiz

Scheidbare werkwoorden:
Scheidbare werkwoorden hebben twee ik-vormen:

Infinitief = meebrengen

1. Wil je dat ik iets lekkers meebreng?
2. Ik breng wel gebakjes mee!

Slide 12 - Slide

Noteer van het scheidbare werkwoord 'ademhalen' beide ik-vormen:

Slide 13 - Open question

Noteer van het scheidbare werkwoord 'samenvatten' beide ik-vormen:

Slide 14 - Open question

Noteer van het scheidbare werkwoord 'teleurstellen' beide ik-vormen:

Slide 15 - Open question

Vervoegen werkwoorden pvtt:

Slide 16 - Slide

Quiz:
Kies bij de volgende quizvragen de juiste spelling van het werkwoord tussen haakjes.
Pas de spellingregels toe die horen bij de persoonsvorm tegenwoordige tijd (pvtt)

Slide 17 - Slide


Mijn buurman (reizen) naar verre landen
A
reis
B
reist
C
reisd
D
reizen

Slide 18 - Quiz

Al jaren (spelen) Pim en Pam in die straat
A
spelen
B
speelden
C
speel
D
spielden

Slide 19 - Quiz

(Worden) je een beetje ziek?
A
Wort
B
Wordt
C
Word
D
Worden

Slide 20 - Quiz

Tim (veranderen) ieder jaar weer.
A
veranderd
B
verander
C
veranderden
D
verandert

Slide 21 - Quiz

Het vuurwerk (leiden) weer tot rellen
A
leid
B
leidt

Slide 22 - Quiz

(Rijden) je vader weer paard?
A
Rijd
B
Rijdt

Slide 23 - Quiz

Misschien (worden) je wel de eerste.
A
word
B
wordt

Slide 24 - Quiz

Ik (benijden) je echt met je mooie haar.
A
benijd
B
benijdt

Slide 25 - Quiz

Je (raden) nooit wie ik tegenkwam.
A
raad
B
raadt

Slide 26 - Quiz

(Vinden) jij Dotan ook leuke zanger?
A
Vind
B
Vindt

Slide 27 - Quiz

Tip:
Als je twijfelt, kun je het werkwoord 'lopen' invullen op de plaats van een ander werkwoord. Hoor je een -t- achter de ik-vorm van het werkwoord 'lopen', dan moet je deze -t- ook noteren achter de -ik-vorm van een ander werkwoord:
ik loop => dus ook => ik word 
loop jij => dus ook => word jij
hij loopt => dus ook => hij wordt

Slide 28 - Slide

Test:
Gebruik bij de volgende quizvragen het werkwoord 'lopen' om te bepalen hoe je de spelling van het werkwoord tussen de haakjes moet spellen.

Slide 29 - Slide

Joris (vinden) dat een leuk spel
A
vint
B
vind
C
vindt
D
vintd

Slide 30 - Quiz

Aan de slag:
Maak de startopdracht en opdracht 1 tm 3 vanaf blz. 36
(of online)

Wat niet af komt tijdens de les = huiswerk.

Slide 31 - Slide