Kapitel 4 - Lektion 1

Kapitel 4 - Lektion 1
In der ersten Klasse habt ihr Kapitel 1-3 gehabt.
Dieses Jahr gehen wir weiter! 
1 / 43
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Kapitel 4 - Lektion 1
In der ersten Klasse habt ihr Kapitel 1-3 gehabt.
Dieses Jahr gehen wir weiter! 

Slide 1 - Slide

Planung: 
Zoals ik vorig jaar heb gezegd, hoe was jullie vakantie? 

En schrijf het schema maar op ;) . 

Slide 2 - Slide

Doelen


Ik ken de voorzetsels met de 4e naamval


Ik kan de zin ontleden (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp)

Slide 3 - Slide

Wat heb je gehad? 
1e naamval --> onderwerp
3e naamval --> meewerkend voorwerk
4e naamval --> lijdend voorwerp

Maar daar komt wat bij ! 

Slide 4 - Slide

Slide 5 - Video

Voorzetsels met de vierde naamval:
durch
für
ohne
um 
gegen

Stamp deze woorden! Inclusief vertaling. 

Slide 6 - Slide

Stappenplan

Slide 7 - Slide

Stap 1:
Kijk welk woord je moet vertalen.

Slide 8 - Slide

Welk woord moet ik vertalen?:
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
mit
B
Mutter
C
mijn
D
Morgen

Slide 9 - Quiz

Stap 2:
Wat is de vertaling van het woord?

Slide 10 - Slide

Wat is de juiste vertaling (in de basis)?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
mijn
B
mein

Slide 11 - Quiz

Stap 3:
We moeten gaan vervoegen
Staat het woord in de DER- of de EIN-Gruppe

DER-Gruppe is de gemarkeerde groep
EIN-Gruppe is de niet-gemarkeerde groep

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
DER-Gruppe
B
EIN-Gruppe

Slide 14 - Quiz

Stap 4:
Staat er een voorzetsel in de zin?

Slide 15 - Slide

Wat is het voorzetsel in deze zin?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
Morgen
B
komme
C
Mutter
D
ohne

Slide 16 - Quiz

Stap 5:
Bij welke naamval hoort het voorzetsel?


3e naamval: mit, nach, bei, seit, von, zu, aus
4e naamval: durch, für, ohne, um, bis, gegen

Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

Welke naamval hoort bij het voorzetsel?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
1e naamval
B
2e naamval
C
3e naamval
D
4e naamval

Slide 19 - Quiz

Stap 6:
Moeten we kijken bij de vervoeging van der, die of das?

Slide 20 - Slide

Welk woord bepaald of je het over der, die of das hebt?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
Morgen
B
ohne
C
Berlin
D
Mutter

Slide 21 - Quiz

Is het woord "Mutter" een der, die of das-woord?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
der
B
die
C
das
D
die(mv)

Slide 22 - Quiz

Stap 7:
blz. 91 tekstboek of grammaticablaadje
Woord uit de DER-Gruppe? Kijk in de bovenste rij.
Woord uit de EIN-Gruppe? kijk in de onderste rij.

Slide 23 - Slide

Wat wordt dan de vervoeging van het woord "mein"?
Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
meinem
B
meiner
C
meinen
D
meine

Slide 24 - Quiz

Ohne ...... (deze) Jungen macht es kein Spaß.
A
diesem
B
dieser
C
diese
D
diesen

Slide 25 - Quiz

Wir laufen gegen ...... (jouw) Tisch
A
deinem
B
dein
C
deine
D
deinen

Slide 26 - Quiz

Um ....... (zijn) Kinder(mv) zu beruhigen, sang er Lieder.
A
seinem
B
seine
C
seiner
D
seinen

Slide 27 - Quiz

Geen voorzetsel in de zin?
Dan ga je de zin ontleden. 

Slide 28 - Slide

Stap 1 t/m 3
1. Welk woord moet je vertalen?
2. Wat is de vertaling van dat woord?
3. Staat het woord in de DER- of de EIN-Gruppe?

Zijn gelijk aan het vorige stappenplan.

Slide 29 - Slide

Stap 4:
Zinnen ontleden.
Onderwerp: 1e naamval (wie doet wat)
Lijdend voorwerp: 4e naamval (wie/wat + gezegde + onderwerp)
Meewerkend voorwerp: 3e naamval (aan/voor wie)

Slide 30 - Slide

Wat is in deze zin het onderwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk

A
...(mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 31 - Quiz

Wat wordt dan de juiste vervoeging?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
mein Mutter
B
meine Mutter
C
meiner Mutter
D
meinen Mutter

Slide 32 - Quiz

Wat is in deze zin het meewerkend voorwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
... (mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 33 - Quiz

Wat wordt de juiste vervoeging?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
ihre Vater
B
ihrer Vater
C
ihrem Vater
D
ihr Vater

Slide 34 - Quiz

Wat is in deze zin het lijdend voorwerp?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
... (mijn) Mutter
B
gibt
C
... (haar) Vater
D
... (een) Geschenk

Slide 35 - Quiz

Wat wordt de juiste vervoeging?
...(mijn) Mutter gibt ... (haar) Vater ... (een) Geschenk
A
eine Geschenk
B
eines Geschenk
C
ein Geschenk
D
einen Geschenk

Slide 36 - Quiz

Nog 3 extra oefen zinnen! 

Slide 37 - Slide

Geh bitte schon ........ (zonder jouw vriend). Ich komme dann später.
A
ohne deinem Freund
B
ohne deine Freund
C
ohne deinen Freund
D
ohne diesen Freund

Slide 38 - Quiz

Die Kinder laufen (om de) .... Sportplatz (m).
A
um die
B
um das
C
um den
D
um

Slide 39 - Quiz

Ich kann (zonder mijn) .... Brille (f) nichts sehen.
A
ohne meinen
B
ohne seine
C
ohne meine
D
ohne mein

Slide 40 - Quiz

Welke vijf voorzetsels met de vierde naamval ken je nu ?

Slide 41 - Mind map

Wat heb je vandaag gedaan / geleerd?

Slide 42 - Open question

Blik naar volgende les / week
Les --> We gaan dit herhalen. Net zolang tot dat je het in je dromen kunt navertelllen ;) 

Week--> 4.2 --> Personalpronomen im vierten Fall 
zonder jou --> ohne dich (i.p.v. du) 

Slide 43 - Slide