Als een kind een genetische aanleg voor ADHD heeft, dan hoeft het nog geen ADHD-kenmerken te gaan vertonen. Dit is namelijk afhankelijk van omgevingsfactoren. Sommige factoren kunnen ADHD-kenmerken versterken en andere factoren kunnen de kenmerken verminderen.
Regelfuncties van de hersenen
De regelfuncties van de hersenen, ook wel executieve functies genoemd, zorgen ervoor dat je je eigen gedrag kunt regelen en besturen. Bij kinderen met ADHD lijken drie van deze regelfuncties minder goed te werken: het werkgeheugen, de rem op het eigen gedrag en het schakelen. Dat betekent dat kinderen met ADHD vaak minder goed kunnen onthouden wat ze moeten doen. Ook kunnen ze hun gedrag moeilijker stoppen als dat nodig is en vinden ze het lastig om hun gedrag aan te passen als de situatie verandert.
Hersenstructuren
Bij ADHD zijn er diverse aanwijzingen dat er sprake is van afwijkingen in de hersenen. Maar deze afwijkingen zijn te klein om bij één persoon waar te nemen. Je kan dus niet zien aan iemands hersenen of iemand ADHD heeft.
Als je hersenstructuren van grote groepen vergelijkt zijn er wel kleine verschillen te zien tussen kinderen met en zonder ADHD. Meestal worden die verschillen aan het einde van de puberteit of aan het begin van de volwassenheid kleiner.
Bij kinderen en jongeren met ADHD is ook een lagere activiteit waargenomen in hersendelen die een rol spelen bij aandacht, concentratie en het geheugen.
Onderzoek laat nog iets anders zien: in de hersenen van kinderen en jongeren met ADHD is een scheve verhouding tussen de neurotransmitters dopamine en noradrenaline. Dopamine heb je nodig om denkprocessen te plannen, doelgericht te handelen en je emotie en motivatie in goede banen te leiden. Een tekort aan dopamine zorgt ervoor dat het moeilijker is om de kernboodschap te vinden uit alle informatie die binnenkomt, en om onbelangrijke informatie weg te filteren.
Noradrenaline helpt je om in actie te komen. Te weinig noradrenaline maakt een kind onverschillig en passief. Te veel noradrenaline zorgt ervoor dat een kind soms te veel spanning gaat opzoeken.
Invloed van omgevingsfactoren bij ADHD
De omgeving van een kind met een erfelijke aanleg heeft invloed op het al dan niet ontwikkelen van ADHD.
Welke omgevingsfactoren precies een rol spelen en hoe groot die rol is, is nog niet duidelijk. Onderzoek laat namelijk tegenstrijdige resultaten zien. Hieronder noemen we een aantal factoren die mogelijk een rol kunnen spelen:
Maatschappelijke en culturele factoren, zoals de toegenomen hoeveelheid prikkels en prestatiedruk
Een laag geboortegewicht
Te vroeg zijn geboren
Tijdens de zwangerschap zijn blootgesteld aan middelengebruik van de moeder
Stress in het gezin
Vroege traumatische ervaringen
Kindermishandeling en verwaarlozing
Vaak bestaan er spanningen tussen ouders en hun kind met ADHD, en komen er veel ruzies voor. Wat we nu weten, is dat problematische ouder-kindrelaties ADHD wel in stand kunnen houden of versterken, maar niet kunnen veroorzaken.
Beïnvloedbare factoren bij ADHD
Aan sommige omgevingsfactoren kun je iets doen, aan andere niet. Daarom maken we een onderscheid tussen beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren. Een erfelijke aanleg bijvoorbeeld kun je niet beïnvloeden.
Voor interventies en behandelingen zijn vooral de beïnvloedbare factoren interessant. Belangrijke voorbeelden hiervan zijn:
De gevoeligheid voor beloning. Dit gegeven kun je gebruiken door gewenst gedrag te belonen op een manier die past bij kinderen met ADHD. Namelijk door directe, sterke beloningen te geven bij gewenst gedrag, en ongewenst gedrag te negeren.
De stress in het gezin. Met interventies en behandelingen kun je je richten op het verminderen van stress. Bijvoorbeeld door praktische of emotionele steun te bieden aan ouders en aan kinderen.