mavo 3 chapitre 2 les 4 2021-2022

1 / 39
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

BONJOUR et BIENVENUE   mavo 3

Bonjour
et 
bienvenue!!

Slide 2 - Slide

Aujourd'hui c'est vendredi 3 décembre.

Bonjour
et 
bienvenue!!

Slide 3 - Slide

            Bonjour!

  •  Ben je rustig gaan zitten volgens de plattegrond?
  •  Zit je telefoon in de telefoontas, op stil?
  •  Heb je je boek/schrift/pen/opgeladen laptop op tafel? 
    (Laat je laptop nog even dicht!)   



Oui? --> On y va!

Slide 4 - Slide

Présence
tout le monde est présent?

Slide 5 - Slide

Les buts

- Je oefent met (het verstaan van) de getallen en vocabulaire van chapitre 2;
- Je kunt uitleggen waar een voorwerp voor bedoeld is en hoeveel het kost;
- Je kunt praten over geld;
- Je oefent met het persoonlijk voornaamwoord, gebruikt als lidwoord. 



Slide 6 - Slide

Qu'est-ce qu'on va faire?
        * Révision   / les devoirs           20'
        * source C                                      30'
             * Evaluation                                      3'    

Slide 7 - Slide

      Chapitre 2
     À la caisse

Slide 8 - Slide

Les nombres

Slide 9 - Slide

De tientallen t/m 60
0   - zéro
10 - dix
20 - vingt
30 - trente
40 - quarante
50 - cinquante
60 - soixante

Slide 10 - Slide

De tientallen vanaf 60
60 - soixante
70 - soixante - dix    (60 - 10)

80 - quatre-vingts   (4 x 20)
90  - quatre-vingt-dix   (4 x 20 + 10)

100 - cent

Slide 11 - Slide

Getallendictee
Noteer de getallen die je hoort in cijfers

Bijv. deux --> 2

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Les devoirs
- Apprendre: grammaire C (fn-nf)
- Révise: voc A + B (fn) + getallen

- Faire: source C + D (online)  ex. 13 t/m 18, 15*

Slide 14 - Slide

Grammaire C:

Ik geef een cadeau.

Ik geef het.


Ken jij die voetballer?

Ik ken hem.

Lijdend voorwerp vinden:
wie of wat + ww + onderwerp

Slide 15 - Slide

Je kan een lijdend voorwerp vervangen door le, la ,l' of les

      

       mannelijk - le          Tu connais le chanteur?

                                              Oui, je le connais.


       vrouwelijk - la         Tu regardes la photo?
                                              Oui, je la regarde.

Slide 16 - Slide

Je kan een lijdend voorwerp vervangen door le, la ,l' of les

      

         voor een klinker of h - l'          Tu as déjà son autographe?

                                                                    Oui, je l'ai déjà. 


         meervoud - les     Tu achètes les magazines?
                                              Oui, je les achète.

Slide 17 - Slide

Grammaire: C    (page 26)
Een lijdend voorwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord:
- le 
- la 
- l'
- les
Om een zin korter te maken. 

Slide 18 - Slide

C: Een lijdend voorwerp vervangen

Slide 19 - Slide

Je mange une glace.
A
Je le mange.
B
Je la mange.
C
Je l'mange.
D
Je les mange.

Slide 20 - Quiz

Je connais les filles.
A
Je le connais.
B
Je la connais.
C
Je l'connais
D
Je les connais.

Slide 21 - Quiz

J'ai rencontré le footballeur.
A
Je le ai rencontré.
B
Je la rencontré.
C
Je l'ai rencontré.
D
Je les ai rencontré.

Slide 22 - Quiz

De plaats in de zin

Staat er een heel werkwoord in de zin? Le, la, l', les voor dat werkwoord.


Tu vas rencontrer l'actrice?
Tu vas la rencontrer?

Slide 23 - Slide

De plaats in de zin

Anders le, la, l', les direct vóór de persoonsvorm.


Tu achètes les magazines?
Tu ne les achète pas?


Tu as eu son autographe?
Tu l'a eu?

Slide 24 - Slide

Je veux trouver mon agenda.
A
Je le veux trouver.
B
Je veux le trouver.
C
Le je veux trouver.
D
Je veux trouver le.

Slide 25 - Quiz

Il a raconté l'histoire.
A
Il la a raconté.
B
Il a la raconté.
C
Il l'a raconté.
D
Il a raconté la.

Slide 26 - Quiz

Je connais les filles.
A
Je le connais.
B
Je la connais.
C
Je l'connais
D
Je les connais.

Slide 27 - Quiz

J'ai rencontré le footballeur.
A
Je le ai rencontré.
B
Je la rencontré.
C
Je l'ai rencontré.
D
Je les ai rencontré.

Slide 28 - Quiz

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Répondez aux questions.
(in het Frans en in hele zinnen)

1. Regarde! Qu'est-ce que c'est?
2. Ça coûte combien?
3. Tu as combien d'argent de poche par semaine?
4. Comment tu dépenses ton argent de poche?
5. Qu'est-ce que tu as acheté la semaine dernière?
6. Tu fais des économies?

Slide 34 - Slide

Au travail

- Oefen de woordjes van A en B met Quizlet. (FN)
- Oefen de zinnen van bron D in tweetallen. (FN)
- Bekijk het uitlegfilmpje bij bron C -> Magister, hw dinsdag 7 december

Slide 35 - Slide

Les devoirs 

- apprends: phrases - clés D (fn)
- révise: grammaire C (n-nf)


Slide 36 - Slide

Les buts

- Je oefent met (het verstaan van) de getallen en vocabulaire van chapitre 2;
- Je kunt uitleggen waar een voorwerp voor bedoeld is en hoeveel het kost;
- Je kunt praten over geld;
- Je oefent met het persoonlijk voornaamwoord, gebruikt als lidwoord. 



Slide 37 - Slide

Wat heb je geleerd tijdens deze les?

Slide 38 - Open question

Welke vraag / vragen heb je nog?

Slide 39 - Open question