SMART doelen

ondersteuningsplan 14-1
1 / 21
next
Slide 1: Slide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 1

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

ondersteuningsplan 14-1

Slide 1 - Slide

Terug & vooruit - blik
- Afgelopen periode, wat hebben we geleerd?
- Afgelopen les
- Komende 2 lessen
- Vandaag

Slide 2 - Slide

Opdracht volgende week
Krijgt een enveloppe met beginsituatie en context beschrijving.
Hier ligt een hulpvraag bij.
Jij bewerkt dit in een ondersteuningsplan.
Je stelt evaluatiedoelen. Deze worden de les erop 'geëvalueerd' en moet je dan aanpassen.

Slide 3 - Slide

Smart doelen
Hoe maak je ze? 

Slide 4 - Slide

Lesdoelen
Aan het einde van de les...
1. Kan je toelichten waar de afkorting SMART voor staat. 
2. Kan je benoemen waarom doelen SMART geformuleerd moeten worden. 
3. Kan je een doel SMART formuleren.
4. Kan je beoordelen of een doel SMART is geformuleerd.




Slide 5 - Slide

Wat weten jullie al van SMART doelen?

Slide 6 - Mind map

Slide 7 - Video

Waarom een SMART-doel?  

  • Je weet wat je moet doen/ gericht te werk
  • Je vergroot daarmee de kans dat je het doel behaald 
  • Je kan controleren of je het doel hebt behaald 
  • Zelfvertrouwen op te bouwen (ik kan het!)

Slide 8 - Slide

Belangrijkste regel 
Het doel moet specifiek zijn 

- gezonder leven
- beter zijn/worden/voelen
- minder last hebben van
- weerbaarder worden
- anders dan nu..


Slide 9 - Slide

Specifiek
  • Voorkomen dat het doel vaag is.
  • Wat moet ik doen om dit doen te behalen?
  • Wat wil je bereiken?
  • Wie zijn erbij betrokken?
  • Waar ga je het doel uitvoeren?
  • Is het een concreet doel?
  • Waarom wil je dit doel bereiken? 

Slide 10 - Slide

Meetbaar 
  • Wanneer weet je of je je doel hebt bereikt? 
  • Je doel moet meetbaar zijn. 
  • Bij afvallen kun je kiezen voor aantal kilo’s. 
  • Bij sporten kun je kiezen voor het aantal sportsessies per week.
  • Bij welzijn schaalvraag

 

Slide 11 - Slide

Acceptabel
  • Sluit het doel aan bij de opdracht?
  • Je weet waarom je het doel wilt bereiken

Is het oké voor de bewoner / omstaande?

Slide 12 - Slide

Realistisch 
  • Is het doel haalbaar?
  • Niet te moeilijk en niet te makkelijk

En eerlijk, zou jij dit kunnen?

Slide 13 - Slide

Tijdgebonden
  • Wat is de periode dat het doel gerealiseerd moet zijn?
  • Wanneer ben je klaar?
  • Wanneer is het doel behaald?

En ook hier, is dit realistisch?

Slide 14 - Slide

Door elke dag een uurtje te fietsen ben ik na 10 weken 2,5 kilo afvallen.
A
NietSMART geformuleerd
B
Niet SMART geformuleerd

Slide 15 - Quiz

Kind N. eet tijdens het ontbijt voldoende eten.
A
Wel SMART geformuleerd
B
Niet SMART geformuleerd

Slide 16 - Quiz

Waarom moeten doelen SMART geformuleerd worden?
A
Dat is slimmer
B
Om te checken of ze behaald zijn
C
Het staat mooier
D
Om tussentijds te checken of je de goede dingen doet

Slide 17 - Quiz

Kind J. eet in de komende 2 maanden iedere dag 2 ons groenten en 2 stuks fruit eten.
A
Wel SMART geformuleerd
B
Niet SMART geformuleerd

Slide 18 - Quiz

Werkblad, zelf oefenen
Ik wil leren om …………omdat ……….
Dit ga ik doen door………….
Na hoeveel weken heb ik dit doel bereikt?............
Ik heb het doel bereikt wanneer…………….

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Doelen checken 
Aan het einde van de les...
1. Kan je toelichten waar de afkorting SMART voor staat.
2. Kan je benoemen waarom doelen SMART geformuleerd moeten worden.
3. Kan je een doel SMART formuleren.
4. Kan je beoordelen of een doel SMART is geformuleerd.

Slide 21 - Slide