Herhalingsles na de herfstvakantie

Lesprogramma
1. 10 minuten lezen
2. herhaling zin in zinsdelen verdelen
3. korte uitleg over lidwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord
4. aan de slag!
1 / 22
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

Lesprogramma
1. 10 minuten lezen
2. herhaling zin in zinsdelen verdelen
3. korte uitleg over lidwoord, zelfstandig naamwoord en bijvoeglijk naamwoord
4. aan de slag!

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

voor de vakantie...
- Heb je geleerd hoe je een zin in zinsdelen moet verdelen.
- Hoe je in de zin de persoonsvorm vindt.


Hierna doen we aan paar opdrachten om je geheugen weer wat op te frissen.

Slide 3 - Slide

Wat zijn zinsdelen?
A
losse woorden
B
een zin verdeeld in stukken

Slide 4 - Quiz

Welk zinsdeel moet je als eerste zoeken als je een zin in zinsdelen gaat verdelen?

Slide 5 - Open question

Ik / wil / naar huis.

Alles wat voor de pv kan staan, is een zinsdeel. Wat is dus zeker een zinsdeel?
A
ik
B
naar huis
C
wil
D
niets

Slide 6 - Quiz

Verdeel onderstaande zin in zindelen:

Mijn moeder heeft koekjes gekocht.

Slide 7 - Open question

Verdeel onderstaande zin in zindelen.

Mijn moeder heeft vorige week koekjes gekocht.

Slide 8 - Open question

Verdeel onderstaande zin in zindelen.

Vorige week heeft mijn moeder bij de bakker koekjes gekocht.

Slide 9 - Open question

Zinsdelen
Hoeveel zinsdelen heeft de zin?
'Wanneer starten de scholen weer?'
A
4 zinsdelen
B
5 zinsdelen
C
3 zinsdelen
D
6 zinsdelen

Slide 10 - Quiz

de persoonsvorm
Je hebt drie manieren om de persoonsvorm in de zin te vinden:

1. Je zet de zin in een andere tijd (t.t. of v.t.). Het werkwoord dat verandert is de pv.
2. Je verandert de zin van getal (m.v. of e.v.). Het werkwoord dat verandert is de pv.
3. Je maakt de zin vragend. Het werkwoord dat het meest vooraan staat, is de persoonsvorm.

Slide 11 - Slide

De persoonsvorm is een .....
A
Persoon
B
Ding
C
Werkwoord
D
Zelfstandig naamwoord

Slide 12 - Quiz

Wat is de persoonsvorm?
De persoonsvorm
Mijn moeder
heeft
mijn brood
gesmeerd

Slide 13 - Drag question

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Hoe vind je ook alweer de persoonsvorm?
A
Hoe
B
vind
C
je
D
ook

Slide 14 - Quiz

Wat is de persoonsvorm?

Het heeft niet zo kunnen zijn.
A
Het
B
zijn
C
kunnen
D
heeft

Slide 15 - Quiz

Wat is de persoonsvorm?
A
Jip en Janneke
B
verstoppertje
C
op straat
D
spelen

Slide 16 - Quiz

Vraag: sleep de persoonsvormen.
Persoonsvormen
De
man
sluit
de
winkel,
want
er
komen
te
weinig
klanten.

Slide 17 - Drag question

Wat is de persoonsvorm?
De persoonsvorm
Piet
drinkt
een blikje cola
in de pauze

Slide 18 - Drag question

Wat is de persoonsvorm?
De persoonsvorm
Janneke
heeft
haar werk
goed
gedaan

Slide 19 - Drag question

Let op!
Leer jezelf aan de persoonsvorm uitsluitend te zoeken door de zin van tijd of getal te veranderen. Het maken van een vraagzin om de pv te vinden, gaat op een zeker moment namelijk niet meer werken. 

bijv. Wat zijn de persoonsvormen in de zin?

'Pieter ging op vakantie en Maartje heeft haar verjaardag gevierd.'

Slide 20 - Slide

Aan de slag!
Maak in jouw leerroute de volgende hoofdstukken.

hfdst. 1 Grammatica – woordbenoemen – zelfstandig naamwoord en lidwoord
+
hfdst. 2 Grammatica – woordbenoemen – bijvoeglijk naamwoord

Slide 21 - Slide

Vraag: sleep de persoonsvormen.
Persoonsvormen
De
man
sluit
de
winkel,
want
er
komen
te
weinig
klanten.

Slide 22 - Drag question