Latijn
Latijn
Wat gaan we vandaag doen?
Grammatica cap. I
Huiswerk bespreken
Huiswerk vorige les
Pensum deel 1 vertalen regel 20 t/m 31 p. 11
Maken exercitia 6 en 7 p. 15 en 16
Welk woord is het bijvoeglijk naamwoord: de kleine stad.
De
kleine
stad
Welk woord is het bijvoeglijk naamwoord: de grote rivier.
Maak het woord met 'parv' af: Tiberis fluvius parv.... est.
Wat is het bijvoeglijk naamwoord: Brundisium oppidum magnum est.
Brundisium
oppidum
magnum
est
Invuloefening bijvoeglijke naamwoorden
Sicilia insula magnaest. Elba non est insula magnased insula parva. Sicilia et Sardinia non insulae parvaesunt sed insulaemagnae. Brundisium est oppidum magnumsed Tusculum oppidumparvum est. In imperio Romanomulta oppidasunt.
Invuloefening
Dit is een Nederlandse tekst waarin een aantal Latijnse vocabulavoorkomen. Dit heeft de docent gemaakt, ten primuszodat we alles goed oefenen etten secundus zodat we de taal, het latinus, goed leren. We hebben bij exemplum het gehad over bijvoeglijke naamwoorden, zoals groot (magnus), klein (parvus), veel (multi) en weinig (pauci).
We hebben quoquevraagwoorden geleerd. Bijvoorbeeld: ubiis Rome? Als antwoord kan je dan geven: Rome is in Italië. Of: quidis Rome? Rome is een stad. Het woord voor stad in het Latijn is: oppidum.
Als je niet een stad, maar twee oppidahebt, dan is dat niet enkelvoud (singularis), maar pluralis. Woorden in het Latijn hebben ook een geslacht. De drie geslachten zijn: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. In het Latijn is dat: masculinum, femininum en neutrum. Die laatste lijkt op het woord 'neutraal'.
Invuloefening
Dan tot slot nog even een rijtje woorden die belangrijk zijn om te weten:
rivier: fluvius
getal: numerus
oceaan: Oceanus
eiland: insula
letter: littera
hoofdstuk: capitulum
rijk: imperium
Grieks: Graecus
Romeins: Romanus
Huiswerk volgende les
Pensum deel 2 vertalen p. 16
Maken exercitia 4, 5, 8 en 9 p. 15, 17 en 18
Leerdoelen deze les
- Ik kan het enkelvoud (singularis) en meervoud (pluralis) van de zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden van groep 1 (vrouwelijk) en van groep 2 (mannelijk en onzijdig) herkennen.
- Ik kan de Latijnse persoonsvormen est en sunt herkennen.
- Ik kan de betekenis van de woorden van capitulum primum onthouden.
- Ik kan een eenvoudige Latijnse tekst lezen en er vragen over beantwoorden.
Ik herken de plaatsbepaling met ‘in’.
Vale!