Rekenen met tientallen en eenheden
Rekenen met tientallen en eenheden
Deze les gaat over optellen en aftrekken tussen 20 en 100 zonder tientaloverschrijding. Houd de taal eenvoudig en werk steeds met herkenbare voorbeelden.
Lesdoel
Ik kan optellen en aftrekken met tientallen en/of eenheden tussen 20 en 100, zonder over een tiental te gaan.
This item has no instructions
Welke rekensommen met tientallen of eenheden ken jij al?
Gebruik de woorden uit de wolk als start: laat leerlingen voorbeelden noemen zoals 34 + 20 of 56 - 4. Zo activeer je voorkennis over tientallen en eenheden.
Tientallen en eenheden
Een getal heeft tientallen en eenheden.
Bij 46 zijn er 4 tientallen en 6 eenheden.
4 tientallen = 40
6 eenheden = 6
Samen: 40 + 6 = 46
Leg eventueel met blokjes, geld of MAB-materiaal uit: een staaf is 10, losse blokjes zijn 1.
Zo lees je een getal
28 = 20 en 8
53 = 50 en 3
70 = 7 tientallen en 0 eenheden
Kijk altijd eerst: wat is het tiental? wat is de eenheid?
Benadruk dat 70 geen losse eenheden heeft. Dat helpt straks bij sommen met tientallen.
Optellen met tientallen
Bij tientallen tel je 10, 20, 30 erbij.
Voorbeeld: 34 + 20 = 54
Het tiental verandert: 30 wordt 50.
De eenheid blijft gelijk: 4 blijft 4.
Laat leerlingen zien dat je alleen naar de tientallen kijkt als je een heel tiental erbij optelt.
Aftrekken met tientallen
Bij tientallen haal je 10, 20, 30 eraf.
Voorbeeld: 67 - 20 = 47
Het tiental verandert: 60 wordt 40.
De eenheid blijft gelijk: 7 blijft 7.
This item has no instructions
Sprongen van 10
Op een getallenlijn maak je sprongen van 10.
42 + 30: 42 → 52 → 62 → 72
85 - 20: 85 → 75 → 65
Gebruik de getallenlijn als visuele steun. Zo zien leerlingen dat ze binnen hetzelfde eenheidscijfer blijven.
Wat blijft gelijk bij 34 + 20?
de eenheden
de tientallen
allebei
geen van beide
Toetst het inzicht uit de slides over optellen en aftrekken met tientallen: bij hele tientallen verandert alleen het tiental.
Vul de juiste woorden in
Bij 42 + 30 maak je sprongen van 10 op de getallenlijn. Het tiental verandert, maar de eenheid blijft gelijk.
De drie kernwoorden komen letterlijk uit dit blok: sprongen van 10, tiental verandert, eenheid blijft gelijk.
Optellen met eenheden
Bij eenheden tel je losse getallen erbij.
Voorbeeld: 41 + 7 = 48
Het tiental blijft gelijk: 40 blijft 40.
De eenheid verandert: 1 wordt 8.
Je gaat niet over het volgende tiental.
Kies voorbeelden waarbij de eenheden samen kleiner blijven dan 10, zoals 41 + 7 en 52 + 3.
Aftrekken met eenheden
Bij eenheden haal je losse getallen eraf.
Voorbeeld: 56 - 4 = 52
Het tiental blijft gelijk: 50 blijft 50.
De eenheid verandert: 6 wordt 2.
Je blijft in hetzelfde tiental.
This item has no instructions
Kijk naar de eenheden
63 + 5 = 68 kan.
63 + 8 gaat over het tiental en hoort niet bij deze les.
74 - 2 = 72 kan.
74 - 6 blijft ook in hetzelfde tiental.
Maak het onderscheid heel duidelijk: zonder tientaloverschrijding betekent dat je niet naar het volgende of vorige tiental gaat.
Eerst goed kijken
Bij elke som kijk je eerst:
Is het optellen of aftrekken?
Werk je met tientallen of eenheden?
Blijft het getal in hetzelfde tiental?
Dan reken je stap voor stap.
Deze slide bundelt de aanpak. Gebruik steeds dezelfde woorden: tientallen, eenheden, hetzelfde tiental.
Welke som past bij deze les?
63 + 8
56 - 9
41 + 7
38 + 5
Alleen 41 + 7 blijft binnen hetzelfde tiental. De andere opties gaan over een tiental heen.
Waar kijk jij eerst naar bij een som?
optellen/aftrekken
tientallen
eenheden
hetzelfde tiental
This item has no instructions
Sommen met tientallen en eenheden
Soms tel je tientallen en eenheden bij elkaar op.
Voorbeeld: 32 + 24
Eerst tientallen: 32 + 20 = 52
Dan eenheden: 52 + 4 = 56
Kies alleen voorbeelden zonder tientaloverschrijding in de tweede stap. Hier blijft 52 + 4 netjes binnen hetzelfde tiental.
Aftrekken in twee stappen
Voorbeeld: 78 - 23
Eerst tientallen: 78 - 20 = 58
Dan eenheden: 58 - 3 = 55
Zo houd je overzicht.
Benadruk dat ook hier de tweede stap geen tientaloverschrijding heeft.
Handige aanpak
Splits het getal.
Reken eerst met de tientallen.
Reken daarna met de eenheden.
Controleer: blijf je onder 100 en in hetzelfde tiental?
Noem hardop de denkwijze: splitsen geeft rust en voorkomt fouten.
Voorbeelden naast elkaar
45 + 12 = 57
45 + 10 = 55, 55 + 2 = 57
69 - 11 = 58
69 - 10 = 59, 59 - 1 = 58
Gebruik deze voorbeelden om de structuur te herhalen: eerst het tiental, dan de eenheid.
Zo controleer je je antwoord
Kijk of de uitkomst logisch is.
Bij optellen wordt het getal groter.
Bij aftrekken wordt het getal kleiner.
De eenheden mogen niet over het tiental heen gaan.
Een snelle schatting helpt: 45 + 12 moet meer zijn dan 45, maar niet ineens 80.
Wat doe je eerst bij 32 + 24?
+ 4
+ 20
- 20
- 4
Sluit aan bij de uitleg: eerst splitsen en rekenen met de tientallen, daarna met de eenheden.
Vul de stappen in
Bij 78 - 23 reken je in twee stappen. Eerst haal je 20 eraf en krijg je 58. Daarna haal je 3 eraf en blijft 55 over.
De volgorde van de stappen is belangrijk: eerst tientallen, dan eenheden.
Wat heb jij geleerd in deze les?
Laat leerlingen in eigen woorden noemen wat ze hebben geleerd, bijvoorbeeld: eerst naar tientallen of eenheden kijken, in twee stappen rekenen, of niet over het tiental gaan.
Wat hielp jou het best bij rekenen?
Mogelijke antwoorden: de getallenlijn, splitsen, eerst tientallen doen, voorbeelden stap voor stap. Bespreek kort wat steun gaf.
Wat vond jij nog lastig?
Verwachte thema's: eenheden goed bekijken, niet over het tiental gaan, kiezen tussen optellen en aftrekken, of sommen in twee stappen.
Woordenlijst
tiental - een groep van 10
eenheid - 1 los getal
splitsen - een getal verdelen in tientallen en eenheden
optellen - erbij doen
aftrekken - eraf halen
getallenlijn - lijn met getallen op volgorde
tientaloverschrijding - over het volgende of vorige tiental gaan
This item has no instructions