Nt2 - A2 - verwijswoorden 1

verwijs                   woorden 1
1 / 18
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 4

This lesson contains 18 slides, with interactive quizzes and text slides.

Items in this lesson

verwijs                   woorden 1

Slide 1 - Slide

Zonder verwijswoorden 
2 kleine verhaaltjes:
1)Herman loopt. Herman rent. Herman slaapt. Herman eet. 

2)Mijn huis is mooi. Mijn huis is groot. Mijn huis heeft een tuin .
3) De boom staat in de tuin. De boom is groot.

Slide 2 - Slide

Met verwijswoorden 
1) Herman heeft een nieuwe auto gekocht. Hij is heel blij met de auto. Hij rijdt iedere dag in de auto. 

2)Mijn huis is mooi. Het is groot en het heeft een tuin.
3) De boom staat in de tuin. Hij is groot, en hij geeft appels.



Slide 3 - Slide

dus
Woorden kunnen vervangen woorden door andere woorden!
Anders wordt het saai of moeilijk te lezen.
Maar dan moet je ze wel kennen.

Slide 4 - Slide

Een paar verwijswoorden:
 A)Hij  kan verwijzen naar :
1) een man (de man)
2) een ding ( de boom, de auto, de tafel)
----------
 B)Het kan verwijzen naar een ding ALS HET LIDWOORD HET IS!
Het raam staat open en het is vies.

Slide 5 - Slide

Hij, zij/ze 
De man is moe = Hij is moe. 
Marie is moe = Zij is moe.
De mensen zijn moe = Zij zijn moe.   

Slide 6 - Slide

C) zij/ze
1)De vrouw kijkt uit het raam. Zij roept haar zoon.

2)De kinderen spelen op straat. Zij spelen voetbal.
De tafels staan in de klas, maar zij staan niet goed.
3) Zij is dus verwijswoord voor een vrouw of voor een groepje mensen of dingen

Slide 7 - Slide

kies: hij / het / ze

Ik heb de nieuwe lamp!. ... is erg mooi.
A
Hij
B
Het
C
Ze

Slide 8 - Quiz

Ik heb de nieuwe lampen. ... zijn erg mooi.
A
zij
B
het
C
hij

Slide 9 - Quiz


Het raam is kapot. Ik moet ...vervangen
A
hem
B
zij
C
hij
D
het

Slide 10 - Quiz

Aanwijzen:
Deze/die    Dit/dat
De kast = deze/die kast.  
Het huis is mooi = dit/dat huis. 
----



Ik heb deze vorige week gekocht. 
Ik heb dit vorige week gekocht.  
----


Slide 11 - Slide

Bij 'de-woorden' (de tafel, de jas, de pen, de muur)
gebruik je deze en die.

Deze is 'hier' of dichtbij  
Deze pen is kapot.

Die is voor 'daar' of verder weg. 
Die pen schrijft goed.

Slide 12 - Slide

Bij 'het-woorden' (het huis, het papier, het mes)
gebruik je dit en dat.

Dit is voor hier of dichtbij.
Dit boek is leuk.

Dat is voor daar of verder weg.
Dat boek is saai.

Slide 13 - Slide

Ik houd van het werk. Ik doe......al twee jaar!
A
Hij
B
Deze
C
Dit
D
Die

Slide 14 - Quiz

Hij nodigt (ik) ... uit.
A
hij
B
zij
C
mij
D
ik

Slide 15 - Quiz

Hij nodigt (jou en mij) uit. Hij nodigt .... uit.
A
ons
B
haar
C
hun
D
wij

Slide 16 - Quiz

Hij nodigt (de man) uit. Hij nodigt ... uit.
A
hem
B
hij
C
wij
D
zij

Slide 17 - Quiz

Hij nodigt (jou en Abdul) uit. Hij nodigt ....uit.
A
hen
B
jullie
C
ons
D
hem

Slide 18 - Quiz