3GT H3 Grammatica - Woordsoorten (14-2)

Woorden van een taal indelen in woordsoorten
Aantekeningen LessonUp
Vrij oefenen CambiumNed


Doel: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, en (stoffelijk) bijvoeglijk nw benoemen
Lidwoorden, voorzetsels, voegwoorden, persoonlijke vnw en bezittelijke vnw benoemen (blz.86)
Verlengde instructie op aanvraag
1 / 13
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolmavo, havoLeerjaar 2,3

This lesson contains 13 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min
Report this lesson

Items in this lesson

Woorden van een taal indelen in woordsoorten
Aantekeningen LessonUp
Vrij oefenen CambiumNed


Doel: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, en (stoffelijk) bijvoeglijk nw benoemen
Lidwoorden, voorzetsels, voegwoorden, persoonlijke vnw en bezittelijke vnw benoemen (blz.86)
Verlengde instructie op aanvraag

Slide 1 - Slide

Inhoud van deze les
Lesdoel: aan het eind van de les kun je een aantal woordsoorten benoemen in een zin. 

- Instructie woordsoorten
- Oefenen en opdrachten maken

Slide 2 - Slide

Woordsoorten
- werkwoord (WW)- zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand. Ze kijkt naar de hoge golven. 

- lidwoord (LW) - de, het, een - staat voor een zelfstandig naamwoord of een bijvoeglijk naamwoord. 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand. Ze kijkt naar de hoge golven. 

Slide 3 - Slide

Woordsoorten
- zelfstandig naamwoord (ZN) - is een woord voor een mens, dier, plant of ding. Een naam is ook een zelfstandig naamwoord. 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand. Ze kijkt naar de hoge golven. 

- bijvoeglijk naamwoord (BN) - vertelt iets over een zelfstandig naamwoord. Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zegt waarvan iets gemaakt is: gouden, metalen, zilveren. 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand. Ze kijkt naar de hoge golven. 

Slide 4 - Slide

Woordsoorten
- voorzetsel (VZ) - is vaak een kort woordje, dat de plaats, de tijd of de oorzaak aangeeft. Je kunt het voor ...... de kast OF ......... het feest plaatsen: op de kast, na de pauze, door de regen. 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand. Ze kijkt over de hoge golven. 

- voegwoord (VW) - is een woord waarmee je een samengestelde zin maakt: en / of / maar / want / dus/ omdat / terwijl / zodat / nadat 
voorbeeld - Ilse loopt naar het strand, terwijl ze naar de hoge golven kijkt. 

Slide 5 - Slide

Woordsoorten
- persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) - duidt een persoon, dier of ding aan: zij verloren de wedstrijd; pas op, hij bijt!; ik heb het op tafel gelegd. 


- bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) - geeft aan van wie iets is. Het staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort: jullie tuin, ons feest, jouw beste vriend. 

Slide 6 - Slide

Kijk naar de volgende zin. Welke woorden horen bij de onderstaande woordsoorten? Je moet sommige woordsoorten vaker gebruiken en niet alle woordsoorten hoef je te gebruiken.
Zelfstandig naamwoord<br>
Bijvoeglijk naamwoord<br>
lidwoord<br>
werkwoord<br>
Voorzetsel
De
dj
draait
op
het
festival

Slide 7 - Drag question

Sleep de woorden naar je juiste categorie woordsoorten.
lw
zn
bn
vz
ww
De
eekhoorn
klom
in
de
hoge
boom.

Slide 8 - Drag question

Sleep de woordsoorten naar de juiste box.
lw
zn
vz
bn
vw
ww
de
hoewel
op
regen
bedachte
behandeld

Slide 9 - Drag question

Mijn fiets is gestolen.

Mijn=
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 10 - Quiz

Wij hebben ons vergist.
wij =
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 11 - Quiz


Zijn dat jouw buren?
A
persoonlijk voornaamwoord
B
bezittelijk voornaamwoord

Slide 12 - Quiz

Woorden van een taal indelen in woordsoorten
Aantekeningen LessonUp
Vrij oefenen CambiumNed


Doel: werkwoorden, zelfstandige naamwoorden, en (stoffelijk) bijvoeglijk nw benoemen
Lidwoorden, voorzetsels, voegwoorden, persoonlijke vnw en bezittelijke vnw benoemen (blz.86)
Verlengde instructie op aanvraag

Slide 13 - Slide