Een gevorderde leerling rijdt op de autosnelweg. Hij haalt 3 vrachtauto's tegelijk in. Hij rijdt op de linkerrijstrook. Plotseling komt een auto dicht voor hem rijden. Hoe moet de rijinstructeur in deze situatie reageren?
A
Hij zegt: "pas op dat je niet het voertuig raakt".
B
Hij zegt: "gas los".
C
Hij zegt: "remmen".
1 / 59
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 59 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Een gevorderde leerling rijdt op de autosnelweg. Hij haalt 3 vrachtauto's tegelijk in. Hij rijdt op de linkerrijstrook. Plotseling komt een auto dicht voor hem rijden. Hoe moet de rijinstructeur in deze situatie reageren?
A
Hij zegt: "pas op dat je niet het voertuig raakt".
B
Hij zegt: "gas los".
C
Hij zegt: "remmen".
Slide 1 - Quiz
De verkeerslichten zijn buiten werking. Het betreft een gevorderde leerling en deze leerling moet rechts afslaan. Naast hem rijdt een fietser. De rijinstructeur zegt: 'de verkeerslichten doen het niet en let op de fietser op de fietsstrook.' Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
Zo leert de leerling nooit zelfstandig rijden.
B
De leerling is gewaarschuwd voor deze situatie.
C
De leerling zal beter opletten.
Slide 2 - Quiz
Een gevorderde leerling stopt te dicht achter een stilstaande vrachtauto. De leerling is te laat met stoppen. Hoe gaat de rijinstructeur om met deze situatie?
A
Hij vraagt aan de leerling waarom hij zo dicht achter de vrachtauto gestopt is.
B
Hij zegt niks.
C
Het bespreekt het aan het einde van de les.
Slide 3 - Quiz
Een gevorderde leerling rijdt binnen de bebouwde kom. Hij schakelt mis. Wat ga je als rijinstructeur doen?
A
Niets zeggen.
B
Zelf laten oplossen.
C
Zelf laten oplossen en daarna bespreken.
Slide 4 - Quiz
Je gaat een vlotte leerling aan het einde van de fase van eenvoudige verkeerssituaties toetsen. Wat doe je met hem om hem verder te stimuleren?
A
Je plant een route met de onderdelen die horen bij eenvoudige verkeerssituaties.
B
Je laat hem zelf een route plannen.
C
Je plant een route met de onderdelen die horen bij eenvoudige verkeerssituaties en 1 á 2 onderdelen die horen bij complexe verkeerssituaties.
Slide 5 - Quiz
Je rijdt met gevorderde leerling op een weg. Rechts staat een bestelauto op de fietsstrook. Links heb je ook een fietsstrook met een tegemoetkomende fietser. Is deze situatie complex genoeg voor deze leerling?
A
Precies goed voor zijn niveau.
B
Te makkelijk voor zijn niveau.
C
Te moeilijk voor zijn niveau.
Slide 6 - Quiz
Je ziet een foto van een autosnelweg. Je ziet een invoegstrook. Op de doorgaande rijbaan zie je slechts 2 auto's. Is deze situatie geschikt voor een vlotte leerling die bezig is met complexe verkeerssituatie?
A
Precies goed.
B
Goed.
C
Te simpel voor deze leerling.
Slide 7 - Quiz
Je gaat met een leerling invoegen op de autosnelweg. Je ziet op de foto een korte invoegstrook met veel verkeer. De leerling zit in de eindfase van de rijopleiding. Is dit een juist niveau voor deze leerling?
A
precies goed
B
het niveau is te hoog
C
het niveau is te laag
Slide 8 - Quiz
Een gevorderde leerling rijdt door op de invoegstrook. Op het laatste moment voegt hij in. Wat heeft de leerling onjuist gedaan?
A
te lang gebruik gemaakt van de invoegstrook
B
niet ver vooruit gekeken
C
bord over het hoofd gezien
Slide 9 - Quiz
Je wilt met een leerling die in het begin van de fase CVS zit invoegen oefenen op de autosnelweg. Je ziet op de foto een korte invoegstrook met veel verkeer. Is dit een goed moment om te oefenen?
A
het moment is juist
B
het moment is juist, want je gaat toch begeleiden
C
het is te moeilijk voor deze leerling die voor het eerst gaat oefenen
Slide 10 - Quiz
Je wilt je leerling het onderdeel 'invoegen' aanleren. Je komt onverwachts in een file terecht. Hoe ga je hier didactisch gezien handelen?
A
je gaat globaal vertellen over in file rijden
B
je zegt niets
C
je gaat gedetailleerd vertellen over in file rijden
Slide 11 - Quiz
Je oefent met een leerling complexe verkeerssituaties. Je nadert een situatie (foto met spoorwegovergang). Is deze situatie complex genoeg voor je leerling?
A
Ja, deze situatie is complex genoeg voor de leerling.
B
Nee, overweg moet in de beginfase worden geoefend.
C
Nee, overweg moet met zelfstandig rijden geoefend worden.
Slide 12 - Quiz
Je gaat met een gevorderde leerling kruispunten met verkeerslichten oefenen. Foto 1: kruispunt met t- splitsing en geen verkeer. Foto 2: kruispunt met veel verkeer in een bocht. Foto 3: kruispunt met veel rijstroken en verkeer. Wanneer heeft de leerling minder stress?
A
Foto 1.
B
Foto 2.
C
Foto 3.
Slide 13 - Quiz
Je gaat met een half gevorderde leerling kruispunten met verkeerslichten oefenen. Wanneer heeft de leerling minder stress? Foto 1: kruispunt met t- splitsing en geen verkeer. Foto 2: kruispunt met veel verkeer in een bocht. Foto 3: kruispunt met veel rijstroken en verkeer.
A
Foto 1.
B
Foto 2.
C
Foto 3.
Slide 14 - Quiz
Je wilt met je leerling voor de 1e keer rotondes gaan oefenen. Je wilt dat de leerling goed de verkeerssituatie kan overzien. Hoe moet je didactisch gezien in deze situatie handelen?
A
Voor de oefening aan de leerling uitleggen en met een situatieschets duidelijk maken.
B
De leerling laten oefenen en achteraf een uitleg geven over rotondes.
C
Extra begeleiden tijdens het berijden.
Slide 15 - Quiz
Je geeft les in een zeer drukke straat en voor je rijden een paar fietsers. Voorts heb je ook nog tegemoetkomend verkeer. Wat kan je leerling in deze straat het beste leren?
A
Leerling leren om fietsers in te halen met weinig uitwijkmogelijkheden.
B
Plaats op de weg.
C
Claxonneren i.v.m. instabiliteit van fietsers.
Slide 16 - Quiz
Welk handelen heeft het beste effect op de leerling als het gaat om sturen naar zelfstandigheid?
A
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren zonder aanwijzingen.
B
Door de leerling de rijtaak te laten uitvoeren met heel weinig aanwijzingen.
C
Door de leerling zonder aanwijzingen, maar met af en toe een hint, de rijtaak te laten uitvoeren.
Slide 17 - Quiz
Je gaat je leerling 'afslaan kruispunten' aanleren. Hoe ga je dit uitleggen?
A
Naar een rustige omgeving rijden, daar uitleggen.
B
Laten afslaan en dan achteraf bespreken.
C
Zowel de leerling als instructeur moeten het hardop verwoorden.
Slide 18 - Quiz
De rijinstructeur gaat met de leerling eenvoudige kruispunten oefenen. Onderweg komt hij een complex kruispunt tegen. Hoe gaat hij om met deze situatie?
A
Hij stopt en gaat alles gedetailleerd vertellen.
B
Hij gaat tijdens het berijden globaal vertellen.
C
Hij gaat tijdens het berijden begeleiden en globaal vertellen.
Slide 19 - Quiz
De rijinstructeur gaat met een beginnende leerling een kruispunt met in- en uitritconstructie oversteken. Hoe moet hij dit aan de leerling vertellen?
A
Hij stopt aan de kant en vertelt dit onderdeel gedetailleerd.
B
Tijdens het rijden geeft hij begeleiding en vertelt hij het globaal.
C
Hij laat de leerling zelfstandig oversteken.
Slide 20 - Quiz
Waarom bespreek je altijd aan het einde van de les met de leerling wat er ingevuld wordt op de instructiekaart?
A
De leerling weet wat hij goed en fout gedaan heeft.
B
Leerling kan aan zijn vrienden vertellen wat hij geleerd heeft.
C
Leerling kan onthouden wat hij geleerd heeft.
Slide 21 - Quiz
Je oefent eenvoudige kruispunten met je leerling en je merkt dat hij nog wel problemen heeft met voertuigbeheersing. Je had voor de volgende les al een ander kruispunt geplant. Wat ga je de volgende les met je leerling doen?
A
Hetzelfde kruispunt oefenen.
B
Beide kruispunten oefenen.
C
Geen kruispunten oefenen, je besteed je les aan voertuigbeheersing.
Slide 22 - Quiz
Je wilt met een leerling rotondes gaan oefenen. Je leerling leert snel en zit op het geautomatiseerd beheersingsniveau. Waar kies je voor?
A
Je kiest een weg met veel rotondes.
B
Je kiest een weg met verschillende rotondes, van makkelijk tot complex.
C
Je neemt een rotonde en waar je steeds blijft oefenen.
Slide 23 - Quiz
Je gaat met je leerling eenvoudige kruispunten oefenen met verkeerslichten. Welke situatie lijkt jou het beste voor je leerling?
A
Foto1. 1x pijl voor linksaf, 1x rond verkeerslicht voor rechtdoor, 1x verkeerslicht rechts met bus op de rijstrook (veel verkeer)
B
Foto2. 1x pijl linksaf, 2x pijlen rechtdoor en 1 pijl rechtsaf. (rustige kruispunten met 1 auto)
De leerling voegt voor het eerst in. In welke situatie kan de leerling het beste invoegen?
A
Foto korte invoegstrook.
B
Foto lange invoegstrook (weefvlak).
C
Lange invoegstrook met weinig verkeer.
Slide 26 - Quiz
Je rijdt met je leerling, plotseling kom je in een mistbank terecht. Hoe ga je didactisch gezien handelen?
A
Je stopt en laat de leerling keren.
B
Je rijdt naar een route waar je minder last hebt van de mistbank.
C
Je verwisselt van plaats en gaat zelf rijden.
Slide 27 - Quiz
Je spreekt met een beginnende leerling die vlot is af dat je volgende les stuurtechnieken met hem gaat oefenen. Op die dag heeft het gesneeuwd. Het wegdek is licht glad. Wat voor effect zal deze les op de leerling hebben?
A
Hij beheerst het sturen in moeilijke situaties.
B
Hij gaat nooit vergeten hoe moeilijk het is om in deze situatie auto te rijden.
C
Leerling raakt mentaal overladen.
Slide 28 - Quiz
Je hebt een hele strakke tijdsplanning voor je rijlessen en je dreigt in een file terecht te komen met je leerling. Wat doe je?
A
Je gaat zo snel mogelijk de snelweg af, en kiest een alternatieve route.
B
Je houdt je aan de geplande route.
C
Je gaat bellen met de planning of met de leerlingen die daarna les hebben.
Slide 29 - Quiz
Je hebt een verlegen leerling in de auto en de leerling rijdt te langzaam. Wat ga je tegen je leerling zeggen?
A
Hoe hard mag je hier rijden?
B
Je weet dat je langzaam rijdt hè? Geef maar gas.
C
Je zegt niks, de leerling merkt zelf wel dat hij te langzaam rijdt.
Slide 30 - Quiz
Je staat met beginnende leerling op een kruispunt waar hij links gaat afslaan. Jij staat als 2e auto. Voor je staat een kleine vrachtauto die ook links wil afslaan. Rondom het kruispunt worden er veel werkzaamheden verricht. Waar zal de leerling moeite mee hebben met afslaan naar links?
A
Positie.
B
Scannen.
C
Ruimtekussen.
Slide 31 - Quiz
LL wil links afslaan op een kruispunt met verkeerslichten. Het is een vrij druk (foto) kruispunt. Veel statische en dynamische factoren aanwezig. De leerling zal veel informatie moeten verwerken. Welke taak wordt voor de LL bemoeilijkt?
A
Ruimtekussen.
B
Scannen.
C
Afstand houden.
Slide 32 - Quiz
Tijdens een proefexamen rijdt de LL op de autosnelweg. Op een gegeven moment treden de matrixborden in werking. Deze borden beginnen te knipperen. Je merkt dat de LL ontzettend nerveus wordt bij zien van de knipperende matrixborden. Wat doe je in deze situatie?
A
Je stelt de LL gerust.
B
Je geeft de LL enkele aanwijzingen.
C
Je zegt niets.
Slide 33 - Quiz
Je leerling is bang om fietsers in te halen. Elke keer als hij inhaalt, vraagt hij: 'is er genoeg ruimte?' Hoe ga je je leerling dat aanleren?
A
Een rijbaan beide zijden fietsstroken met 1 fietser en tegemoetkomende verkeer.
B
Een rijbaan met geen fietsstroken, 1 fietser.
C
Een rijbaan met vele fietsers achter elkaar en een tegemoetkomende auto.
Slide 34 - Quiz
Je hebt met een gevorderde leerling een les rotondes gepland. Hoe ga je didactisch gezien handelen?
A
Verschillende malen rotondes oefenen.
B
1 keer oefenen en volgende les weer oefenen.
C
1 keer oefenen en daarna na 8 lessen erop terugkomen.
Slide 35 - Quiz
U rijdt met een beginnende leerling door een woonwijk. Links en rechts rijden fietsers. De ruimte is zeer beperkt. Je zou kunnen stellen dat er ruimte is voor slechts 1 auto. Wat ga je de leerling in deze situatie aanleren?
A
Positie.
B
Scannen.
C
Ver vooruit kijken.
Slide 36 - Quiz
U heeft een leerling die een zogenaamde sensatiezoeker is. Deze personen worden ook wel thrill seekers genoemd. Hoe zou je de leerling tegemoet kunnen komen?
A
Je houdt ze kort en uitdagingen worden zoveel mogelijk vermeden.
B
Je daagt ze uit voor wat betreft snelheid en berijden van bochten.
C
Je brengt ze in complexe situatie's zodat ze ervaren dat ze veel moeten leren.
Slide 37 - Quiz
Na twee lessen beheerst de leerling de voertuigbeheersing helemaal. Wat zegt dit over deze leerling?
A
Deze zal sneller leren dan de gemiddelde leerling.
B
Deze zal minder snel leren dan de gemiddelde leerling.
C
Deze zal net zo snel leren als de gemiddelde leerling.
Slide 38 - Quiz
Een onzekere leerling leert deze les 'afslaan naar rechts'. Hij houdt in de bochten de hele tijd zijn voet op de koppeling. Wat is hiervan de oorzaak?
A
U hebt onvoldoende rekening gehouden met de twijfels bij de leerling.
B
U hebt niet voor de juiste oefensituaties gekozen.
C
U hebt bij het aanleren van 'koppelen' hieraan onvoldoende aandacht besteed.
Slide 39 - Quiz
Tijdens de praktijkles is humor onontbeerlijk. Wat houdt dat in?
A
Dat humor zorgt dat de leerlingen zichtbaar plezier of genoegen tonen in het rijden en dat zij zich beter op hun gemak voelen.
B
Dat humor alleen nodig is om te laten blijken dat fouten door de rijinstructeur worden geaccepteerd.
C
Dat humor leidt tot het positief beleven van de rijlessen als eerst een vertrouwensbasis is gelegd.
Slide 40 - Quiz
Einde les hou je een procesevaluatie. Wat moet je de LL vragen?
A
Had je het meeste aan mijn uitleg of aan de tekening?
B
Vond je mijn uitleg goed?
C
Wat vind je zelf hoe je de auto hebt gekeerd?
Slide 41 - Quiz
Je leerling rijdt op de autosnelweg en is bezig met inhalen. Plotseling komt er een personenauto kort voor je leerling rijden. Wat voor hint geef je de leerling?
A
Hoe staat het met je volgafstand?
B
Laat je gas maar los.
C
Houd voldoende afstand.
Slide 42 - Quiz
Je leerling heeft net complexe verkeerssituaties gehad, je wilt nu een samenvatting geven van de les. Hoe ga je dat doen?
A
Je vraagt de leerling wat hij ervan vond.
B
Je bespreekt de les met je leerling en neemt de belangrijkste stappen nog even door.
C
Je bespreekt uitgebreid alle details die in de les zijn voorgekomen.
Slide 43 - Quiz
Een gevorderde leerling komt aanrijden bij een complex kruispunt. Je ziet dat de leerling een fout gaat maken. Wat ga je doen?
A
Voordat de fout gemaakt wordt grijp je in.
B
Je laat de leerling de fout maken.
C
Je grijpt gelijk in want een gevorderde leerling mag geen fouten maken.
Slide 44 - Quiz
Een gevorderde leerling rijdt een route complexe verkeerssituaties en tijdens het rijden maakt hij een paar fouten. Wat ga je doen?
A
Je bespreekt aan het einde van de les met je leerling hoe het ging.
B
Je legt hem tijdens de les uit dat hij fouten heeft gemaakt.
C
Je laat de leerling zolang rijden, totdat hij zijn fouten zelf ontdekt.
Slide 45 - Quiz
Op een foto zie je een weg met veel bomen en een fietsstrook. Je geeft de leerling de opdracht om te keren. Je leerling rijdt een stukje door en keert uiteindelijk netjes bij een zijstraat van rechts. Wat ga je tegen je leerling zeggen?
A
Je vraagt waarom hij daar gekeerd heeft en geeft hem daarna een compliment.
B
Je laat je leerling merken dat hij het goed heeft gedaan.
C
Je geeft hem een compliment.
Slide 46 - Quiz
Wat is een goede coachende opmerking als je met een LL een vrij druk kruispunt nadert?
A
Het is hier vrij druk, maar volgens mij vind je dat niet moeilijk.
B
Wat denk je dat er zou kunnen gebeuren als je met een te hoge snelheid het kruispunt nadert?
C
Het is verstandig de voet van het gaspedaal weg te halen en dan heb je genoeg tijd voor het waarnemen.
Slide 47 - Quiz
Een rijinstructeur houdt een procesevaluatie om vast te stellen:
A
Of de doelstelling bereikt is.
B
Hoe de les verlopen is.
C
Wat de leerling de komende les kan verbeteren.
Slide 48 - Quiz
Einde les hou je een productevaluatie. Wat moet je de LL vragen?
A
Hoe vond je mijn uitleg?
B
Vond je mijn uitleg goed?
C
Wat vind je zelf hoe je de auto hebt gekeerd?
Slide 49 - Quiz
LL rijdt steeds te dicht (foto) langs fietsers. Je corrigeert de LL niet. Wat zal het gevolg zijn?
A
LL gaat minder sociaal rijden.
B
LL leert zelfstandig oplossingen te bedenken.
C
Fout zal structureel worden.
Slide 50 - Quiz
Tijdens het rijden maakt de leerling een fout. In de voorgaande lessen is dat gedeelte van de rijtaak reeds behandeld. Hoe moet de rijinstructeur handelen?
A
Hij laat de leerling op de veilige plaats stilstaan en geeft commentaar.
B
Aan het einde van de les komt hij hierop terug.
C
Al rijdend geeft hij hierop commentaar.
Slide 51 - Quiz
Wat doe je als rijinstructeur aan het begin van een les?
A
Je laat de leerling de auto starten.
B
Je geeft een samenvatting van de vorige les en vertelt wat we deze les gaan doen.
C
Je vertelt de leerling wat wij vandaag gaan doen.
Slide 52 - Quiz
Je wilt vaststellen of het leerdoel al dan niet is gehaald. Wat doe je?
A
Productevaluatie.
B
Procesevaluatie.
C
Foutenanalyse.
Slide 53 - Quiz
Wat moet de rijinstructeur doen om te zorgen dat commentaar en uitleg door de leerling worden begrepen?
A
De rijinstructeur hanteert zoveel mogelijk vaktermen.
B
De rijinstructeur hanteert een zo simpel mogelijk taalgebruik.
C
De rijinstructeur past zijn taalgebruik aan het opleidingsniveau van de leerlingen aan.
Slide 54 - Quiz
Wat verstaan we onder commentaar geven?
A
Het bespreken van een lesstap zoals de DMMM fase.
B
Het kort geven van een bemerking op een rijtaak met een eenduidige oplossing.
C
Het evalueren en bespreken van het leerresultaat.
Slide 55 - Quiz
U rijdt met een beginnende leerling de bebouwde kom in. De leerling rijdt 70 km per uur. Welk hint of corrigerende aanwijzing geef je?
A
Heb je een bord gezien?
B
Gas los laten.
C
Remmen.
Slide 56 - Quiz
U helpt een gevorderde leerling die met één bijzondere manoeuvre nog wat moeite heeft. Hoe kunt u dan het beste feedback gebruiken?
A
Laat de leerling zelf het resultaat van zijn uitgevoerde manoeuvre vertellen.
B
Laat de leerling zelf vertellen hoe hij het uitvoerde en wat hij er goed en minder goed aan vond.
C
Versterk het zelfvertrouwen van de leerling door alleen goed gedrag te bekrachtigen.
Slide 57 - Quiz
In een rijles laat u uw leerling stoppen om een onderdeel van de les te evalueren. Hoe kunt u dit het beste doen?
A
Door aan de leerling open vragen te stellen.
B
Door de leerling te vragen wat er goed ging.
C
Door als instructeur aan te geven wat er fout ging.
Slide 58 - Quiz
De leerling maakt tijdens de les enkele fouten. Je bespreekt de les met de leerling. Wat doe je dan?