Zinnen maken met hulpwerkwoorden

Zinnen maken met hulpwerkwoorden

1 / 23
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsISK

This lesson contains 23 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min
Report this lesson

Items in this lesson

Zinnen maken met hulpwerkwoorden

Wat weet je al over hulpwerkwoorden in zinnen?

Leerdoel van vandaag

Aan het eind van de les kun je zinnen maken in de toekomende tijd met de hulpwerkwoorden kunnen, willen, zullen, mogen, moeten en gaan.

Wat is een hulpwerkwoord?

Een hulpwerkwoord helpt het hoofdwerkwoord. Zo maak je nieuwe tijden of betekenissen in de zin.

Herhaling: de 1-2-3 zin

1 = Wie of wat (onderwerp) 2 = Werkwoord (of hulpwerkwoord) 3 = De rest van de zin

Tijd voor de toekomst

Hulpwerkwoorden kun je gebruiken om over de toekomst te praten.

Zinnen in de toekomende tijd

Bijvoorbeeld: Ik zal morgen huiswerk maken.

Kunnen

Kunnen betekent iets is mogelijk. Bijvoorbeeld: Ik kan fietsen.

Quizvraag 1

Welke zin is goed? A. Ik kunnen zwemmen. B. Ik kan zwemmen.

Willen

Willen betekent dat je iets graag doet. Bijvoorbeeld: Jij wilt spelen.

Quizvraag 2

Welke zin klopt? A. Zij wil muziek luisteren. B. Zij willen muziek luisteren.

Zullen

Zullen gebruik je om een voorstel te doen. Bijvoorbeeld: Zullen wij samen leren?

Quizvraag 3

Welke vraag is juist? A. Zullen wij eten? B. Zullen wij eten gaan?

Mogen

Mogen betekent: het is toegestaan. Bijvoorbeeld: Je mag de klas verlaten.

Quizvraag 4

Welke zin klopt? A. Hij mag naar huis. B. Hij mogen naar huis.

Moeten

Moeten betekent: iets is verplicht. Bijvoorbeeld: Zij moet werken.

Quizvraag 5

Welke zin klopt? A. Jij moet lezen. B. Jij moeten lezen.

Gaan

Gaan + heel werkwoord= toekomst. Bijvoorbeeld: Wij gaan eten.

Quizvraag 6

Welke zin is goed? A. Ik ga spelen. B. Ik gaat spelen.

Plaats van het hulpwerkwoord

Het hulpwerkwoord staat op de tweede plaats, het hoofdwerkwoord achteraan.

Voorbeelden

Zij kan lopen.

Wil = hulpwerkwoord Slapen = hoofdwerkwoord

Kan = hulpwerkwoord Lopen = hoofdwerkwoord

Ik wil slapen.

Herhaal: welk hulpwerkwoord past?

Vul in: _______ jij naar buiten? A. Kun B. Ga C. Zal

Zelf aan de slag: In Vorm hoofdstuk 10