Zinnen maken met hulpwerkwoorden
Zinnen maken met hulpwerkwoorden
Wat weet je al over hulpwerkwoorden in zinnen?
Leerdoel van vandaag
Aan het eind van de les kun je zinnen maken in de toekomende tijd met de hulpwerkwoorden kunnen, willen, zullen, mogen, moeten en gaan.
Wat is een hulpwerkwoord?
Een hulpwerkwoord helpt het hoofdwerkwoord. Zo maak je nieuwe tijden of betekenissen in de zin.
Herhaling: de 1-2-3 zin
1 = Wie of wat (onderwerp) 2 = Werkwoord (of hulpwerkwoord) 3 = De rest van de zin
Tijd voor de toekomst
Hulpwerkwoorden kun je gebruiken om over de toekomst te praten.
Zinnen in de toekomende tijd
Bijvoorbeeld: Ik zal morgen huiswerk maken.
Kunnen
Kunnen betekent iets is mogelijk. Bijvoorbeeld: Ik kan fietsen.
Quizvraag 1
Welke zin is goed? A. Ik kunnen zwemmen. B. Ik kan zwemmen.
Willen
Willen betekent dat je iets graag doet. Bijvoorbeeld: Jij wilt spelen.
Quizvraag 2
Welke zin klopt? A. Zij wil muziek luisteren. B. Zij willen muziek luisteren.
Zullen
Zullen gebruik je om een voorstel te doen. Bijvoorbeeld: Zullen wij samen leren?
Quizvraag 3
Welke vraag is juist? A. Zullen wij eten? B. Zullen wij eten gaan?
Mogen
Mogen betekent: het is toegestaan. Bijvoorbeeld: Je mag de klas verlaten.
Quizvraag 4
Welke zin klopt? A. Hij mag naar huis. B. Hij mogen naar huis.
Moeten
Moeten betekent: iets is verplicht. Bijvoorbeeld: Zij moet werken.
Quizvraag 5
Welke zin klopt? A. Jij moet lezen. B. Jij moeten lezen.
Gaan
Gaan + heel werkwoord= toekomst. Bijvoorbeeld: Wij gaan eten.
Quizvraag 6
Welke zin is goed? A. Ik ga spelen. B. Ik gaat spelen.
Plaats van het hulpwerkwoord
Het hulpwerkwoord staat op de tweede plaats, het hoofdwerkwoord achteraan.
Voorbeelden
Zij kan lopen.
Wil = hulpwerkwoord Slapen = hoofdwerkwoord
Kan = hulpwerkwoord Lopen = hoofdwerkwoord
Ik wil slapen.
Herhaal: welk hulpwerkwoord past?
Vul in: _______ jij naar buiten? A. Kun B. Ga C. Zal
Zelf aan de slag: In Vorm hoofdstuk 10