Week 30 werkwoorden herhaling gemengd fase 5

Lesdoel 
  • ik kan sterke en zwakke werkwoorden onderscheiden
  • ik kan deze in de v.t , volt.tijd en t.t. juist vervoegen
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsBasisschoolGroep 7,8

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Lesdoel 
  • ik kan sterke en zwakke werkwoorden onderscheiden
  • ik kan deze in de v.t , volt.tijd en t.t. juist vervoegen

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

herhaling: sterke en zwakke ww
zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd niet van klank
luisteren - luisterden
fietsen - fietsten
sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd wel van klank
 slapen - sliepen
drinken - dronken

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

zwakke werkwoorden

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

Zijn het zwakke of sterke werkwoorden?
zwak
sterk
kwamen
hikten
verkochten
knaagden
tuurden
hoopten
speelden
bleven

Slide 6 - Drag question

This item has no instructions

Zijn het zwakke of sterke werkwoorden?
zwak
sterk
gaan
blozen
lezen
zwijgen
vallen
vertalen
druppelen
zeggen

Slide 7 - Drag question

This item has no instructions

Wat is het voltooid deelwoord? 




Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Hoe herken je een voltooid deelwoord in de zin? 
Kan jij bij elk rijtje nog een ander voltooid deelwoord bedenken?
1

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Hoe herken je een voltooid deelwoord in de zin? 
2

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Hoe herken je een voltooid deelwoord in de zin? 
3
Een voltooid deelwoord eindigt meestal op en bij de sterke werkwoorden.
Een voltooid deelwoord eindigt meestal op t of d bij de zwakkewerkwoorden.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Stamregel 4:          v wordt f   
Werkwoorden met een f/v wisseling:
verven -  ruwe stam = verv          stam =  verf

Voltooid deelwoord: ge + stam + t/d = geverfd
let op: welke letter gebruik je? 

Slide 12 - Slide

toegewezen: 10 zinnen voltooid deelwoord - stamregel 4
Maak het voltooid deelwoord (f-woorden)
Stamregel 4:          z wordt s   
Werkwoorden met een z/s wisseling:
reizen -  ruwe stam = reiz         stam =  reis

Voltooid deelwoord: ge + stam + t/d = gereisd
let op: welke letter gebruik je? 

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Tijd voor een spelletje, wie kan de werkwoorden in de juiste vorm in het schrift schrijven?

Slide 14 - Slide

This item has no instructions