Welkom allemaal!
Pak je boek, schrift, pen en rekenmachine
Welkom allemaal!
Pak je boek, schrift, pen en rekenmachine
Programma
Hoe sta je erin?
Leerdoelen
Uitleg + opdrachten maken
Examenopdracht (?)
Aan het eind van de les
Kan je het verschil tussen mo en mk uitleggen
Kan je de maximale winst berekenen.
Ben je voorbereid deze les ingegaan?
Produceren
Productiefactoren
KANO
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
Aan de slag
Lees de tekst paragraaf 1 door
Maken opdracht 2 & 6 paragraaf 1
minute
second
Opgave 2
Onjuist, want de beroepsbevolking is het deel van de bevolking tussen 15 en 75 jaar dat werkt (de werkgelegenheid) plus zij die willen werken (de geregistreerde werklozen).
Juist
Onjuist, want kennis is ook onderdeel van de productiefactor ondernemerschap.
Juist
Onjuist, want er wordt ieder volgend uur juist minder geproduceerd.
Sleepvraag
Vaste kosten
Variabele kosten
Productiekosten
Vaste kosten: deze kosten veranderen niet als er meer / minder wordt geproduceerd.
Variabele kosten (VK): deze kosten veranderen wel als er meer / minder wordt geproduceerd.
Kosten
De producent kijkt naar de totale kosten (TK)= VK + vaste kosten
Hoe bepaal je nou hoeveel je per dag gaat produceren?
Dan kijk je naar twee factoren:
De gemiddelde totale kosten (GTK).
GTK = Totale kosten
productieomvang
De kosten moeten lager zijn dan de opbrengsten à winst
De marginale kosten zijn de extra totale kosten die gemaakt worden om een extra eenheid te produceren.
Je kunt bepalen hoeveel producten je gaat produceren
Slide titel
■De marginale kosten: hoeveel stijgen de totale kosten als er één extra product gemaakt wordt?
■Als er kosten bijkomen door extra productie kan dat alleen komen door de variabele kosten (want de totale constante kosten blijven bij elke productieomvang hetzelfde)
■In de tabel is te zien dat bij elke productie-omvang een product € 1 aan variabele kosten (GVK) met zich meebrengt. De kosten stijgen dus steeds met € 1 als er één extra product wordt gemaakt: MK = € 1
Slide titel
De GCK kun je berekenen door de totale constante kosten (TCK) te verdelen over het aantal producten dat gemaakt wordt. Je moet dus de TCK weten.
Dit kun je op elke andere regel in de tabel berekenen door GCK × q te doen, bijvoorbeeld:
€ 8 × 250.000 = € 2 mln
€ 2 ×1.000.000 = € 2 mln
of € 1 × 2.000.000 = € 2 mln
2 mln / 2.5 mln = 0,80 per product (A)
De totale kosten bestaan uit constante en variabele kosten. DUS: GTK = GCK + GVK
GTK = €0,80 (zie 2a) + €1,- (uit tabel) = €1,80 (B)
Aan de slag
§2: 1, 4, 7, 8, 9
minute
second
TO = p x q
Juist
Onjuist
Winst
Hoeveel gaat een producent aanbieden?
De hoeveelheid waarbij zijn winst maximaal is.
Het verschil tussen TK en TO het grootst is.
TO (totale opbrengst): prijs x productieomvang (Omzet).
Winst = TO – TK
Winst
Dit ga je voor 1 product bekijken
Niet TO > MO
Marginale opbrengt = extra totale opbrengst
extra verkochte eenheid
Wanneer is MO = Prijs = GO ?
Maximale winst
–MO (marginale opbrengst) = MK (marginale kosten)
Waarom neemt de winst af als MO < MK ?
Break-evenpunt
Break-evenpunt: bij welke productiehoeveelheid de kosten gelijk zijn aan de opbrengsten.
Hierbij geldt: TO = TK (dit is het totaal)
Je kunt ook zeggen: P = GTK (dit is per product)
Wanneer je meer produceert dan het break-evenpunt maak je winst.
Verschil
Verschil tussen MO = MK & Break-evenpunt
MO = MK à bepaalt waar je maximale winst hebt
Break-evenpunt à bepaalt waar je winst = 0 (net uit de kosten)
Aan de slag
§3: 1, 5, 8, 10
§4: 1, 6, 9, 10