Les 3 Module 2

Welkom allemaal!

Pak je boek, schrift, pen en rekenmachine

1 / 22
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

This lesson contains 22 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 180 min
Report this lesson

Items in this lesson

Welkom allemaal!

Pak je boek, schrift, pen en rekenmachine

Programma

  • Hoe sta je erin?

  • Leerdoelen

  • Uitleg + opdrachten maken

  • Examenopdracht (?)

Aan het eind van de les

  • Kan je het verschil tussen mo en mk uitleggen

  • Kan je de maximale winst berekenen.

Ben je voorbereid deze les ingegaan?

Produceren

Productiefactoren

  • KANO

    • Kapitaal

    • Arbeid

    • Natuur

    • Ondernemerschap

Aan de slag

  • Lees de tekst paragraaf 1 door

  • Maken opdracht 2 & 6 paragraaf 1

10

minute

00

second

Opgave 2

  • Onjuist, want de beroepsbevolking is het deel van de bevolking tussen 15 en 75 jaar dat werkt (de werkgelegenheid) plus zij die willen werken (de geregistreerde werklozen).

  • Juist

  • Onjuist, want kennis is ook onderdeel van de productiefactor ondernemerschap.

  • Juist

  • Onjuist, want er wordt ieder volgend uur juist minder geproduceerd.

Sleepvraag



Vaste kosten

Variabele kosten

Productiekosten

  • Vaste kosten: deze kosten veranderen niet als er meer / minder wordt geproduceerd.

  • Variabele kosten (VK): deze kosten veranderen wel als er meer / minder wordt geproduceerd.

Kosten

  • De producent kijkt naar de totale kosten (TK)= VK + vaste kosten

  • Hoe bepaal je nou hoeveel je per dag gaat produceren?

  • Dan kijk je naar twee factoren:

  • De gemiddelde totale kosten (GTK).

    • GTK = Totale kosten
             productieomvang

    • De kosten moeten lager zijn dan de opbrengsten à winst

  • De marginale kosten zijn de extra totale kosten die gemaakt worden om een extra eenheid te produceren.

    • Je kunt bepalen hoeveel producten je gaat produceren

Slide titel

■De marginale kosten: hoeveel stijgen de totale kosten als er één extra product gemaakt wordt?

■Als er kosten bijkomen door extra productie kan dat alleen komen door de variabele kosten (want de totale constante kosten blijven bij elke productieomvang hetzelfde)

■In de tabel is te zien dat bij elke productie-omvang een product € 1 aan variabele kosten (GVK) met zich meebrengt. De kosten stijgen dus steeds met € 1 als er één extra product wordt gemaakt: MK = € 1

Slide titel

  • De GCK kun je berekenen door de totale constante kosten (TCK) te verdelen over het aantal producten dat gemaakt wordt. Je moet dus de TCK weten.
    Dit kun je op elke andere regel in de tabel berekenen door GCK × q te doen, bijvoorbeeld:
    € 8 × 250.000 = € 2 mln
    € 2 ×1.000.000 = € 2 mln
    of € 1 × 2.000.000 = € 2 mln

  • 2 mln / 2.5 mln = 0,80 per product (A)

  • De totale kosten bestaan uit constante en variabele kosten. DUS: GTK = GCK + GVK
    GTK = €0,80 (zie 2a) + €1,- (uit tabel) = €1,80 (B)

Aan de slag

§2: 1, 4, 7, 8, 9

15

minute

00

second

TO = p x q

A

Juist

B

Onjuist

Winst

  • Hoeveel gaat een producent aanbieden?

  • De hoeveelheid waarbij zijn winst maximaal is.

  • Het verschil tussen TK en TO het grootst is.

  • TO (totale opbrengst): prijs x productieomvang (Omzet).

  • Winst = TO – TK

Winst

  • Dit ga je voor 1 product bekijken

  • Niet TO > MO

  • Marginale opbrengt = extra totale opbrengst
                     extra verkochte eenheid

  • Wanneer is MO = Prijs = GO ?

  • Maximale winst

    • –MO (marginale opbrengst) = MK (marginale kosten)

  • Waarom neemt de winst af als MO < MK ?

Break-evenpunt

  • Break-evenpunt: bij welke productiehoeveelheid de kosten gelijk zijn aan de opbrengsten.

  • Hierbij geldt: TO = TK   (dit is het totaal)

  • Je kunt ook zeggen: P = GTK   (dit is per product)

  • Wanneer je meer produceert dan het break-evenpunt maak je winst.

Verschil

  • Verschil tussen MO = MK  & Break-evenpunt


  • MO = MK à bepaalt waar je maximale winst hebt

  • Break-evenpunt à bepaalt waar je winst = 0 (net uit de kosten)

Aan de slag

§3: 1, 5, 8, 10

§4: 1, 6, 9, 10