3T Economie par. 1.3

par. 1.2 vraag 4
A
CBAED
B
CABED
C
CAEBD
D
CBEAD
1 / 14
next
Slide 1: Quiz
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

par. 1.2 vraag 4
A
CBAED
B
CABED
C
CAEBD
D
CBEAD

Slide 1 - Quiz

par. 1.2 vraag 6a
A
Beperkte middelen
B
Beperkte behoeften

Slide 2 - Quiz

par. 1.2 vraag 6c
A
4 / 12 = 0,33 bezoeken
B
12 / 4 = 3 bezoeken

Slide 3 - Quiz

par. 1.2 vraag 6d
A
naar links naar beneden
B
naar links naar boven
C
naar rechts naar beneden
D
naar rechts naar boven

Slide 4 - Quiz

Par. 1.2 vraag 12b

Hoeveel rente betaalt Johan in totaal?
A
4.000
B
4.000 x 0,08
C
65 x 74
D
65 x 74 - 4.000

Slide 5 - Quiz

Par. 1.2 vraag 12c

Het totale budget is ...(1)
De prijs van product X is ...(2)
A
1> 260 2> 1,30
B
1> 260 2> 5,20
C
1> 520 2> 1,30
D
1> 520 2> 5,20

Slide 6 - Quiz

Ruil
Directe ruil <---------------------------> Indirecte ruil
product voor product                                                         via geld                     
Indirecte ruil leidt tot:
- Meer arbeidsverdeling, meer specialisatie
- Meer schaalvergroting, hogere arbeidsproductiviteit
- Meer handel, minder zelfvoorziening

Slide 7 - Slide

opdracht
Schrijf 5 goederen op, die we kopen uit andere landen en waarom

Schrijf 5 goederen op, die mensen uit andere landen kopen uit Nederland en waarom

Slide 8 - Slide

Maak een top 3 met je buurman / - vrouw en vul deze hier in. Schrijf erbij of het om import of export gaat

Slide 9 - Open question

Redenen voor import / export
- Beschikbaarheid grondstoffen
- Klimaat
- Kostenvoordeel
- Kwaliteit / Expertise

Slide 10 - Slide

Ruil
Internationale arbeidsverdeling 
---------------->
Specialisatie 
-------------------------->
Goederen geproduceerd in landen met laagste kosten / hoogste kwaliteit ------------------------------------------>
Hogere welvaart

Slide 11 - Slide

Opdracht arbeidsproductiviteit

Slide 12 - Slide

Opdracht arbeidsproductiviteit
1> 40.000 / 80 = 500
2> 25.000 / 500 = € 50
3> 55.000 / 100 = 550, ( 550 - 500 ) / 500 x 100 = 10%
4> betere scholing, betere machines, betere arbeidsverdeling
5> gestegen, stijging arbeidsproductiviteit > stijging loon
6> 1,08 x 25.000 = 27.000; 27.000 / 550 = € 49,09
( 49,09 - 50 ) / 50 x 100 = -1,82%

Slide 13 - Slide

Hw.
Par. 1.3 opdrachten 1 t/m 14

opgaven 5 en 8 af voor donderdag

Slide 14 - Slide