Les 2: Literaire termen

TRAJECT EPIEK

1 / 43
next
Slide 1: Slide
New lesson editorNederlandsSecundair onderwijsAlgemeen secundair onderwijsDomeinoverschrijdendLeerjaar 7

This lesson contains 43 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min
Report this lesson

Items in this lesson

TRAJECT EPIEK

Hoofdstuk 5: Literaire termen

Je leert …

... hoe een verhaal kan beginnen en eindigen;
... hoe personages in een verhaal worden opgebouwd en welke rol ze spelen;
... hoe tijd en ruimte een verhaal beïnvloeden;
... hoe je het vertelperspectief herkent en literaire termen toepast op een fragment.

Als we een verhaal willen analyseren,

waar kunnen we dan allemaal naar kijken?

HET VERHAALBEGIN

Wat weet je als kijker al?

AB OVO → vanaf het begin, met situering/inleiding

HET VERHAALBEGIN

Wat weet je als kijker al?

IN MEDIAS RES → midden in de gebeurtenissen

HET VERHAALBEGIN

Wat weet je als kijker al?

POST REM → beginnen aan het einde en daarna terugkijken

HET VERHAALEINDE

Happy end → positief einde voor het hoofdpersonage

Gesloten einde → hoofdgebeurtenis is afgerond

Open einde → het einde van het verhaal zit je nog met veel vrage

HET PERSONAGE obv rol

Wie wil iets bereiken? Wie werkt dat tegen?

Protagonist → personage rond wie de plot draait
Antagonist → tegenwerkende kracht
Nevenfiguur → ondersteunt de handeling/personages

HET PERSONAGE obv karakter

Type → personage met één uitvergroot karaktertrek

HET PERSONAGE obv karakter

Komisch figuur→ lachen om wat met hem gebeurt

HET PERSONAGE obv karakter

Tragisch figuur → leven mee met de tegenslagen

HET PERSONAGE obv karakter

Antiheld → personage dat medelijden/afkeer verdient

Held → staat voor moed en zelfopoffering

HET PERSONAGE obv karakter

Rond karakter → complex, verschillende kanten, vaak ontwikkeling
Vlak karakter → weinig psychologische diepgang, weinig/geen ontwikkeling

TIJD

Chronologisch → gebeurtenissen in dezelfde volgorde als de werkelijkheid
Achronologisch → afwijkingen van werkelijke volgorde van de gebeurtenissen

TIJD

Flashback → het verhaal verspringt naar vroeger
Terugverwijzing→ korte gedachte of herinnering

Noor stond voor de deur van haar oude school. Ze aarzelde even voor ze naar binnen ging.

Drie jaar eerder.
‘Geef die terug!’ riep Emma.
Noor hield de telefoon stevig vast. ‘Niet voordat je me vertelt waarom je dat bericht hebt gestuurd.’ Emma keek haar woedend aan. ‘Jij begrijpt er echt helemaal niets van.’ Ze rukte de telefoon uit Noors handen en liep weg.

Noor knipperde met haar ogen. Ze stond weer voor de deur van de school. Ze haalde diep adem en stapte naar binnen.

Noor stond voor de deur van haar oude school. Ze aarzelde even voor ze naar binnen ging. Ze dacht terug aan de ruzie met Emma die hier drie jaar geleden was begonnen. Daarna duwde ze de deur open en stapte naar binnen.

TIJD

Flashforward → het verhaal verspringt naar een moment in de toekomst
Vooruitwijzing → korte opmerking over wat zal gebeuren

Noor stond voor de deur van haar oude school. Ze aarzelde even voor ze naar binnen ging. Ze wist toen nog niet dat ze Emma die avond opnieuw zou ontmoeten. Ze haalde diep adem en duwde de deur open.

TIJD

Tijdsprong → ineens enkele jaren verder in de tijd

Finn sloot de deur van de middelbare school voor de laatste keer achter zich. Hij zwaaide naar zijn vrienden en fietste naar huis.

Vijf jaar later stapte hij zenuwachtig het kantoor binnen voor zijn eerste werkdag als leraar.

Tijd

Tien jaar later keerde Amir terug naar zijn geboortedorp.

Hoeveel tijd gaat er voorbij in het verhaal?

Hoe lang deed jij erover om die zin te lezen?

TIJD

Verteltijd → tijd die je nodig hebt om het verhaal te lezen
Vertelde tijd → tijd in het verhaal

Tijdsversnelling→ verteltijd is korter dan de vertelde tijd
Tijdsvertraging → verteltijd is langer dan de vertelde tijd

Synchroon → verteltijd en vertelde tijd lopen synchroon (dialoog)

Snel tempo → ganse verhaal is de verteltijd is korter dan de vertelde tijd
Traag tempo → ganse verhaal is de verteltijd is langer dan de vertelde tijd

Wat als 10 jaar in één zin wordt verteld?

A

Tijdsversnelling

B

Tijdsvertraging

C

Synchroon

D

Verteltijd

Wat als 3 seconden over een halve bladzijde worden beschreven?

A

Tijdsversnelling

B

Tijdsvertraging

C

Vertelde tijd

D

Verteltijd

Wat als 3 seconden over een halve bladzijde worden beschreven?

A

Tijdsversnelling

B

Tijdsvertraging

C

Vertelde tijd

D

Verteltijd

TIJD

Historische tijd → tijd waarin het verhaal zich afspeelt
(heden, verleden, toekomst)

Marie trok haar lange jurk recht en liep naar het raam. In de verte hoorde ze hoefgetrappel. Een koets kwam langzaam over de onverharde weg naar het landhuis gereden. Ze hoopte dat de brief uit Brussel eindelijk was aangekomen.

Wanneer speelt dit verhaal zich af?
Welke woorden geven je aanwijzingen?

TIJD

Historische tijd


kan expliciet vermeld worden

Antwerpen, mei 1944.

of kan afgeleid worden uit aanwijzingen

kleding, vervoermiddelen, technologie, taal, gebouwen, historische gebeurtenissen …

Het was 1943. Terwijl Duitse soldaten door de straat marcheerden, verduisterde Marie snel de ramen.

Wat is de historische tijd?

RUIMTE

Bekijk vooral de omgeving.

  1. Wat is de geografische ruimte?

  2. Welke sfeer creëert de ruimte?

  3. Welke elementen zorgen voor die sfeer?

RUIMTE

Geografische ruimte → plaats op een kaart of een fictieve plaats

Sfeerscheppende ruimte → ruimte met een bepaalde sfeer/gevoel
(beschrijf alle elementen)

  • versterkend → moord in een donkere nacht / liefde op een zonnig strand

  • contrasterend → moord op een zonnig strand

Sociale ruimte → sociale milieu: job, vrienden, hobby's, familie ... (geld)

Symbolische ruimte → ruimte staat voor een gevoel/ situatie van het personage


RUIMTE

Geografische ruimte →plaats op een kaart of een fictieve plaats

Sfeerscheppende ruimte → ruimte met een bepaalde sfeer/gevoel
(beschrijf alle elementen)

  • versterkend → moord in een donkere nacht / liefde op een zonnig strand

  • contrasterend → moord op een zonnig strand

Sociale ruimte → sociale milieu: job, vrienden, hobby's, familie ... (geld)

Symbolische ruimte → ruimte staat voor een gevoel/ situatie van het personage


Ruimte

Wat vertelt deze ruimte jou over het personage en zijn verhaal, zonder dat je ook maar één zin hebt gelezen?


RUIMTE

Beschrijf de geografische, sfeerscheppende, sociale en symbolische ruimte. Gebruik telkens iets uit de afbeelding als bewijs.


VERTELPERSPECTIEF

Belevende ik ik Beleeft het nu → kent de afloop niet

Vertellende ik ik Kijkt achteraf terug → kent de afloop

Personale verteller hij/zij Gedachten/gevoelens van één personage

Auctoriële verteller hij/zij Weet alles over iedereen en het verhaal

Meervoudig perspectief We bekijken gebeurtenissen vanuit
verschillende perspectieven


Ik duw de deur voorzichtig open. Mijn handen trillen. Waarom is het hier zo stil? Ik wil eigenlijk omdraaien, maar dan hoor ik boven een geluid.

A

Vertellende ik-verteller

B

Alwetende verteller

C

Belevende ik- verteller

D

Personele verteller

Noor duwde de deur voorzichtig open. Haar handen trilden. Waarom was het hier zo stil? Ze wilde omdraaien, maar durfde niet.

A

Vertellende ik-verteller

B

Alwetende verteller

C

Belevende ik- verteller

D

Personele verteller

Jaren later zou ik nog vaak aan die avond denken. Ik wist toen nog niet dat het de laatste keer was dat ik mijn broer zou zien.

A

Vertellende ik-verteller

B

Alwetende verteller

C

Belevende ik- verteller

D

Personele verteller

Noor duwde de deur voorzichtig open. Ze was bang. Boven zat Milan op haar te wachten. Hij vroeg zich ondertussen af waarom ze zo lang wegbleef. Geen van beiden wist dat ze het huis die avond niet meer zouden verlaten.

A

Vertellende ik-verteller

B

Alwetende verteller

C

Belevende ik- verteller

D

Personele verteller

THEMA - PLOT - MOTIEF

Thema → de centrale gedachte of het centrale onderwerp.

liefde • verlies • vriendschap • identiteit • volwassen worden

Motief → zen element dat herhaaldelijk terugkomt en naar het thema verwijst.

voorwerp • uitspraak • handeling • beeld • situatie

Plot → De opeenvolging van gebeurtenissen in het verhaal.

SPANNING

Waarom wil je verder kijken/lezen?


  • Finn hangt met één hand aan de rand van een gebouw. Zijn vingers glijden langzaam weg.

  • Finn vindt een bebloede sleutel in zijn jaszak. Hij heeft geen idee hoe die daar terechtgekomen is.

  • Finn loopt nietsvermoedend zijn slaapkamer binnen. Onder zijn bed ligt iemand met een mes. Finn heeft hem niet gezien.

SPANNING

Inhoudelijke spanning → Je wilt weten wat er gaat gebeuren.

Hoe loopt dit af? Zal Finn vallen?


Intellectuele spanning → Je hebt te weinig informatie en wil het raadsel oplossen.

Wat is hier aan de hand? Van wie is die sleutel? Waarom zit hij in zijn jas?


Emotionele spanning → De lezer/kijker weet meer dan het personage.

Pas op! Wij weten dat iemand onder het bed ligt. Finn niet.

Welke spanning is dit ? Wij hebben gezien dat de moordenaar achter de deur staat en dat personage loopt gewoon naar die deur. En jij zit: NIET OPENEN!

STIJL

Fragment A

De man kwam de kamer binnen. Hij keek rond. Er was niemand. Hij ging op de stoel zitten en wachtte.

Fragment B

Voorzichtig schoof hij de deur open. Zijn blik gleed door de verlaten kamer. Niemand. Alleen het monotone tikken van de klok doorbrak de stilte. Hij liet zich langzaam op de stoel zakken. En wachtte.

STIJL

Stijl → de manier waarop een auteur schrijft.



Zinsbouw
korte ↔ lange zinnen
eenvoudige ↔ complex
veel ↔ weinig afwisseling

Beeldspraak & beschrijving
veel ↔ weinig beeldspraak
beeldend ↔ zakelijk
veel ↔ weinig details

Woordkeuze
formeel ↔ informeel
eenvoudig ↔ moeilijk
alledaags ↔ plechtig
neutraal ↔ gevoelsgeladen
modern ↔ ouderwets